Hans Smits journalist | Nieuwe pagina 3 | Nieuwe pagina 4

 

Website van Hans Smits, freelance journalist en auteur

 

Hans Smits werkte vanaf 1955 achtereenvolgens bij Dagblad Kennemerland (Beverwijk), de Verenigde Noordhollandse Dagbladen (centrale redactie in Alkmaar), Dagblad voor West-Friesland (als regiochef in Hoorn), Het Parool, Algemeen Handelsblad (als chef nieuwsdienst) en NRC-Handelsblad. Hij vertrok in 1971 naar Vrij Nederland waarvan hij  tot 1981 politiek redacteur was en vervolgens tot 1999 algemeen redacteur, vanaf 1985 met een nadruk op beide Duitslanden en de hereniging.Van 1976 tot 1981 was hij tevens binnenlandcommentator in het VARA-radioprogramma In de Rooie Haan. Nu is hij freelance journalist en auteur van journalistieke boeken. Hij gaf in de periode 1994-2007 journalistieke trainingen in Kazachstan (voor Stichting Doen), de Bosnisch-Kroatische Federatie en Republika Srpska (voor Press Now en OVSE), Macedonië (Press Now) en Azerbeidzjan (Press Now). Schreef in 2005 vanuit Bakoe een serie Impressies vanuit Azerbeidzjan voor Oneworld.nl. Lezingen gehouden over onder meer Journalistiek in Amsterdam, de Coornhert-Liga en de naoorlogse annexaties van Duits grondgebied. (zie volgende pagina's).

Als part-time docent op de School voor Journalistiek (1988-1991) en van 1990 tot 2008 bij het huidige Centrum voor Communicatie & Journalistiek (voorheen Forum) aan de Hogeschool Utrecht, verzorgde Hans Smits cursussen journalistiek. Van 2001 tot 2007 was hij vast medewerker voor politie en justitie van het weekblad Binnenlands Bestuur.

Van september 2009 tot december 2012 was Hans Smits trainer-begeleider van het project Persmuskiet voor oral history, van het museum NieuwLandErfgoed te Lelystad, dat werd uitgevoerd in opdracht van de Provincie Flevoland en met subsidie van het Fonds voor Cultuurparticipatie. Zie www.flevolandsgeheugen.nl. In 2011 maakte hij de interviews voor de tentoonstelling 25 jaar Flevoland, zowel schriftelijk als (door Marcel Payens) gefilmd. In 2013 projecten bij Jong in Lelystad en Welzijn Lelystad. Vanaf eind 2014 artikelen voor deBonjo, krant over strafrecht en detentie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boeken:

 

Crimineel, meedenken over misdaad en straf, Spectrum 1974

 

De bom in de vuist, de Partij van de Arbeid tussen afschrikking en atoompacifisme, Raamgracht 1984

 

Een pasje meer of minder, over legitimatieplicht NIVON 1992

 

Verward in het driehoeksweb, de relatie tussen Openbaar Ministerie, Politie en Bestuur, Koninklijke Vermande 1995

 

Muurschilderingen, Kleine geschiedenis van de Berlijnse hereniging, Aksant 2005

 

Strafrechthervormers en hemelbestormers, Opkomst en teloorgang van de Coornher-Liga,  Aksant/ AUP 2008

 

Landjepik, de Nederlandse annexatie van Duitsland 1945-1949,  Just Publishers herdruk 2015

 

 

 

BIJLMERBAJES Gepubliceerd in DeBonjo, krant over strafrecht en detentie

Het is in het algemeen een achteruitgang wanneer een huis van bewaring buiten de stad wordt gebracht. Het betekent een symbolische en tegelijk een reële vergroting van het isolement, waarin de gedetineerde verkeert. Rechtspraak (en preventieve hechtenis) behoren tot de centrale en kritieke functies van de maatschappij en dienen in de binnenstad plaats te vinden, niet ergens buiten, ver weg van het maatschappelijk leven.’

Dat schreef de Amsterdamse rechter Clovis Cnoop Koopmans in 1970 in het Maandblad voor Berechting en Reclassering. Hij noemde het door Gevangeniswezen in alle stilte uitgewerkte plan voor een nieuw huis van bewaring in Amsterdam ‘onvoldoende verantwoord en heilloos’. Cnoop Koopmans stond bekend als een tegendraads jurist met uitgesproken meningen. Hij werd later zowel vicepresident van de Amsterdamse rechtbank  als (voor de PvdA) lid van de Eerste Kamer en de Amsterdamse gemeenteraad.

Rechter Cnoop Koopmans was de eerste  die in het openbaar protesteerde tegen de voorgenomen bouw van een gigantisch Huis van Bewaring, in een uithoek van Amsterdam. Hij  kreeg nooit een reactie, niet van Justitie en niet van de gemeente Amsterdam. Maar hij was wel de voorloper en

supporter van een omvangrijke protestbeweging, aangestuurd door reclasseringswerkers die in 1973 de actiegroep Stop nieuwbouw huis van bewaring oprichtten. De actiegroep werd ondersteund door zo’n 150 instellingen, waaronder de Coornhert-Liga, de Jellinek Kliniek, reclasseringsinstellingen uit het hele land en de criminologische en strafrechtelijke instituten van vrijwel alle universiteiten. 

Over de lastige bereikbaarheid van de nieuwbouw konden zij niet meer klagen. Want aan de metrolijn naar de Bijlmermeer, waar een nieuw stadsdeel zou verrijzen, was een speciale halte gepland, de tegenwoordige halte Spaklerweg. In een artikel over het verzet tegen de ‘Torens van Babel’ bedacht ik in Vrij Nederland (23-2-1974) dat Bijlmerbajes een mooie naam zou zijn voor deze halte. DIe naam werd daarna geadopteerd door de actiegroep Stop nieuwbouw Huis van Bewaring en sindsdien is de in 1978 geopende penitentiaire inrichting Amsterdam Over-Amstel er nooit meer van losgekomen. Tot de voorgenomen verhuizing in 2017 naar Zaanstad blijft het Bijlmerbajes.

In 1952 was al besloten dat de twee aloude huizen van bewaring in Amsterdam, aan de Havenstraat en aan de Weteringschans, vervangen zouden worden. In 1964 bevestigde minister Scholten van Justitie de voorgenomen bouw van ‘een centraal Huis van Bewaring’. Het gebouwencomplex van Justitie aan de Weteringschans (kantongerecht en huis van bewaring) zou in 1975 plaats moeten maken voor een Bouwes-hotel. Het huis van bewaring aan de Havenstraat moest al veel eerder wijken voor een verkeerscircuit. Het hotel is nooit gebouwd en de (voormalige) gevangenis aan de Havenstraat staat er nog steeds. 

 In januari 1974 beantwoordde Jan Glastra van Loon (D’66), sinds juni 1973 staatssecretaris van Justitie in het kabinet-Den Uyl,  mondelinge kamervragen over de uitgelekte nieuwbouwplannen. In het toen desolate grensgebied met de gemeenten Diemen en Nieuwer-Amstel (Duivendrecht) lag volgens hem het enige beschikbare terrein in de nabijheid van het centrum. De staatssecretaris, een beminnelijk rechtssocioloog, noemde de ‘goede uitgangspunten’ die door Gevangeniswezen waren gehanteerd: voldoende ruimte, behoorlijke bereikbaarheid, mogelijkheden tot interne differentiatie, prima voorzieningen voor de gedetineerden en optimale werkomstandigheden voor het personeel. Hij voegde er nog aan toe: ‘Ik verwacht dat de gedetineerden een vrijer uitzicht zullen hebben.’       

In werkelijkheid had Glastra van Loon ook zijn twijfels over de omvang van het project dat zou bestaan uit een hoofdgebouw en zes cellentorens van veertien verdiepingen, vier torens die dienst zouden doen als regionaal huis van bewaring, een toren als landelijke psychiatrische observatie-afdeling en een toren als landelijke vrouwengevangenis.  De staatssecretaris had naast een alarmerend zwartboek van de actiegroep (totale isolatie!) ook een uitvoerige brief gekregen met alternatieven, ondertekend door honderden rechters, psychiaters en andere deskundigen, onder wie prof.mr.W.F.C.van Hattum, gepensioneerd vicepresident van de rechtbank in Den Haag.  Van Hattum was voorzitter van de Commissie Doelstelling en Functie Huis van Bewaring, die door Justitie zelf in het leven was geroepen. Deze commissie wilde zo klein mogelijke gebouwen met maximaal honderd preventief gedetineerden. Van Hattum liet later weten: ‘Elke massaliteit is funest. Of dat nu om een gevangenis gaat of om een bejaardentehuis. Het is jammer dat de staatssecretaris voor het blok zit en weinig meer aan de plannen kan veranderen.’

 Glastra van Loon kon inderdaad geen kant meer op. Hij wees in het kamerdebat op het grote belang van de aannemers, de firma’s Ballast-Nedam en Brederode, en de vele toeleveringsbedrijven, die hun toekomst hadden afgestemd op werkvoorziening voor enkele jaren. Het zou niet de eerste keer zijn dat gevangenisbouw werd genoemd als middel tegen werkloosheid. Dezelfde Glastra van Loon moest  een jaar later aftreden, omdat justitieminister Dries van Agt de kant koos van de machtige secretaris-generaal Albert Mulder. Glastra van Loon en Mulder lagen in de clinch over het zogenaamde cellentekort. Eén van de bezwaren tegen de bouw van de Bijlmerbajes was juist een te verwachten overcapaciteit aan cellen, omdat het aantal voorarresten in die jaren drastisch daalde.

De Bijlmerbajes werd gebouwd zoals bedoeld. De dichter-criminoloog Manuel Kneepkens (later oprichter en raadslid van de Rotterdamse Stadspartij), die in 1975 voorzitter werd van de Coornhert-Liga, bleef zich symbolisch verzetten. Hij vestigde een traditie door als aanjager van het Jerichocomité jaarlijks een wandeling te organiseren rond de Bijlmerbajes. Na zeven jaar zouden dan de muren omvallen, zoals in de Bijbel de muren van Jericho. Het kon volgens hem geen toeval zijn dat vlakbij, aan de Weespertrekvaart, café De Omval stond.

 

KOEPELGEVANGENISSEN, gepubliceerd in DeBonjo, krant over strafrecht en detentie

 

‘Tientallen jaren toepassing der celstraf hebben ons wijs gemaakt. Ze hebben ons geleerd dat de nobele, van optimisme doortrokken verwachtingen onzer voorvaderen niet zijn vervuld en dat de celstraf allerminst geschikt is om de gevangene zedelijk te verbeteren en moreel te verheffen’. Dat schreef de Commissie voor de verdere uitbouw van het gevangeniswezen in 1947 in een rapport aan de minister van Justitie.

Mooie taal, maar in dat jaar 1947 stamden vrijwel alle huizen en van bewaring en strafgevangenissen in Nederland nog uit de tijd dat juist alle heil werd verwacht van eenzame opsluiting. In alle steden met een rechtbank stonden indrukwekkende celgebouwen, aanvankelijk allemaal huizen van bewaring, waarvan die Breda, Arnhem en Haarlem het meeste opvielen. Nu ook die drie wereldwijd unieke  koepelgevangenissen geen gedetineerden meer herbergen, is er een tijdperk afgesloten dat in 1847 begon met de bouw van de eerste cellulaire vleugelgevangenis, aan het Kleine Gartmanplantsoen (bij de Weteringschans) in Amsterdam. Vleugelgevangenissen kwamen er aan het einde van de negentiende eeuw ook in steden als Den Bosch (Leuvensepoort), Utrecht (Wolvenplein), Rotterdam (Noordsingel), Groningen (later Mesdagkliniek), Den Haag (Casuariestraat)  en Leeuwarden (Blokhuispoort). De wet van 1851 waarmee het cellulaire stelsel werd bekrachtigd, bepaalde overigens dat de eenzame opsluiting slechts kon worden opgelegd in de gevallen waarin de rechter een gevangenisstraf van één jaar of minder uitsprak, en in geen geval voor langer dan de helft van de duur der gevangenisstraf. Geleidelijk aan werden de wettelijke mogelijkheden tot cellulaire opsluiting verder uitgebreid en parallel hiermee werden er steeds meer cellulaire gevangenissen in de rechtbanksteden gebouwd. Na de bezettingsjaren, toen de Duitsers dankbaar gebruik maakten van ons cellulaire systeem, gebeurde het tegenovergestelde. De eenzame celstraf werd steeds meer vervangen door of gecombineerd met een gemeenschapsregiem. Ook in de koepelgevangenissen die zo gebouwd waren dat alle cellen vanuit één punt konden worden geobserveerd.

De door Johan Metzelaar ontworpen koepelgevangenissen in Breda en Arnhem zijn bovendien voorzien van middeleeuws aandoende poortgebouwen met imposante torens. Die ontbreken bij de door zijn zoon Willem Metzelaar ontworpen koepelgevangenis in Haarlem. De drie koepels werden trouwens honderd jaar later, in de periode van het cellentekort, nog onmisbaar geacht en zelfs gerenoveerd. Het zijn nu rijksmonumenten en mogen niet worden gesloopt. Het is zeer de vraag of er andere bestemmingen voor de koepels gevonden kunnen worden.  Want eigenlijk waren ze maar voor een doel geschikt: om mensen op te sluiten.

De koepels en Arnhem en Haarlem zijn te koop gezet door het Rijksvastgoedbedrijf, de koepel in Breda (jarenlang verblijfplaats van beruchte Duitse oorlogsmisdadigers) moet nog een beperkte tijd huisvesting bieden aan asielzoekers en komt dan eveneens in de verkoop. De toestroom van vluchtelingen heeft de gemeenten Arnhem en Haarlem doen besluiten om de  koepelgevangenissen te gebruiken voor een tijdelijke opvang van, per koepel, 350 tot 400 asielzoekers. Zowel in Arnhem als in Haarlem met de nodige tegenzin en bij gebrek aan beter, want de cellen zijn daarvoor zeker niet geschikt voor asielzoekers.

De oudste vleugelgevangenissen staan inmiddels leeg, kregen een andere bestemming of zijn afgebroken. Het Huis van Bewaring  ‘Weteringschans’ in Amsterdam ging al in 1979 tegen de vlakte, nadat de Bijlmerbajes in gebruik was genomen. De in 1856 gebouwde gevangenis aan het Wolvenplein in Utrecht bleef nog tot 2014 in gebruik. Het huis van bewaring in Den Bosch staat, net als het Paleis van Justitie, als rijksmonument leeg sinds 2008. De voormalige strafgevangenis in Groningen (later Mesdagkliniek), die ook werd ontworpen door Johan Metzelaar (compleet met toegangspoort en torens), is eveneens een rijksmonument. Dat geldt ook voor de oude celgebouwen in Utrecht en Leeuwarden. De voormalige gevangenissen (en rijksmonumenten) in Hoorn en Almelo kregen een horecabestemming.

In zijn veelgelezen boekje 'Achter slot en grendel’ schreef de Utrechtse strafrechtsgeleerde prof.dr.R.Rijksen in 1968 : ‘De meeste gevangenissen liggen als een gesloten, massief blok in het drukke gedoe van de stad. Zij lijken een symbool van de gevangenisstraf, onaantastbaar, onveranderlijk’.  Dat beeld is duidelijk veranderd. De oude gevangenissen en huizen van bewaring zijn inmiddels uit de binnensteden verdwenen. Behalve (minder opzichtig) in aloude rechtbanksteden als Rotterdam, Arnhem, Leeuwarden, Almelo, Zwolle, Dordrecht en Middelburg zijn de nieuwe en nieuwste gevangenissen en huizen van bewaring nu (en straks) te vinden in de buitenwijken van slaapsteden, forensenoorden en dorpen als Zoetermeer, Alphen aan de Rijn, Krimpen aan de IJssel, Almere, Lelystad, Zaanstad, Zwaag, Heerhugowaard, Nieuwegein, Sittard, Grave, Evertsoord en Horst aan de Maas. Ze ogen bepaald niet meer als afschrikwekkende symbolen van misdaad en straf. Maar of de gedetineerden zich daar prettiger voelen dan vroeger in de  stedelijke bajessen is zeer de vraag.

 

Voormalige gevangenis Havenstraat, gepubliceerd in DeBonjo krant over strafrecht en detentie

 

Het Huis van Bewaring II. Dat was vanaf begin 1940 de naam van de in 1890 gebouwde strafgevangenis aan de Havenstraat bij de Amstelveenseweg in Amsterdam-Zuid. Want het Gevangeniswezen had in Amsterdam in dat jaar, nog voor de Duitse inval, een tweede Huis van Bewaring nodig wegens een overmaat aan preventief gedetineerden. De ingebruikname van de Bijlmerbajes in 1978 maakte pas in dat jaar beide Huizen van Bewaring uit de negentiende eeuw overbodig. De gemeente Amsterdam had de terreinen waarop de vleugelgevangenissen stonden, van het Rijk gekregen in ruil voor het terrein waarop de Bijlmerbajes zou worden gebouwd. In tegenstelling tot het Huis van Bewaring I (Weteringschans) werd het Huis van Bewaring II  nooit afgebroken, wat aanvankelijk wel de bedoeling was.

De gevangenis aan de Havenstraat, minder opvallend dan het naastgelegen voormalige Haarlemmermeerstation, bleef één van die bajessen die telkens werden gesloten en opnieuw in gebruik genomen. Vanaf 1978 diende het cellencomplex met bijgebouwen als verblijfplaats van wisselende groepen bewoners, onder meer van Baghwan-aanhangers. Het gebouw, dat oorspronkelijk bestond uit vier vleugels (met elk vier etages) in kruisvorm en een open ruimte in het midden van het kruis, werd na een grondige verbouwing,  in 1987 opnieuw als gevangenis en Huis van Bewaring in gebruik genomen. Wegens het cellentekort. Er waren nieuwe delen aangebouwd, voor werkzalen, extra isoleercellen, een sportzaal, kantoren en de medische dienst.

Op 1 oktober 2013 werd de gevangenis opnieuw gesloten. Nu wegens bezuinigingen. En in de herfst van 2015, kreeg  ‘de Havenstraat’ weer een tijdelijke bestemming, als noodopvang voor vluchtelingen. Zo’n vierhonderd vluchtelingen, voornamelijk mannen, zouden enige weken in de ruim 200 cellen slapen, twee per cel. Vorig jaar bivakkeerde er al een groep van het vluchtelingencollectief We Are Here die eerder lange tijd door de stad had gezworven. De Havenstraat was trouwens tijdens de perioden van leegstand een gewild decor voor producers van films en TV-series voor het opnemen van realistische  gevangenisscènes.

In dezelfde gevangenis zaten tijdens de oorlog veel gevangenen van de Duitsers. Verzetstrijdster Hannie Schaft bracht hier de laatste dagen van haar leven door, voordat zij in de Bloemendaalse duinen werd gefusilleerd. Er werden ook twee helpers van de opgepakte familie van Anne Frank in de Havenstraat opgesloten. Die overleefden de oorlog.

Achteraf curieus om te  lezen is een lijvig Inspectierapport van de Inspectie voor de Sanctietoepassing, dat in september 2011, dus twee jaar voor de tweede sluiting van de PI Havenstraat, werd uitgebracht aan de Minister voor Veiligheid en Justitie. In dit inspectierapport werd uitermate kritisch geoordeeld over de interne veiligheid en de maatschappijbeveiliging. De hoofdoorzaak van deze dubbele onveiligheid was volgens de Inspectie het gebrekkige onderhoud aan een aantal technische beveiligingsmiddelen, zoals de mogelijkheid om  de toegangsdeuren tot de inrichting goed af te sluiten en de onbetrouwbaarheid in het functioneren van het persoonlijk alarmeringssysteem voor personeelsleden. De oplossing van deze tekortkomingen lag buiten de invloedssfeer van de directie van de PI Havenstraat. Die wachtte al langere tijd op actie van de Dienst Justitiële Inrichtingen en de Rijksgebouwendienst.

Er waren ook tekortkomingen, die de directie wél te verwijten viel. Zoals de toepassing van de identiteitscontrole met biometrie bij bezoek, om persoonsverwisseling met bezoekers te voorkomen. Die controle werd door het personeel domweg niet toegepast. Bovendien was de deelname van executieve medewerkers aan de training in weerbaarheid en fysiek ingrijpen te laag. De hoge leeftijd en het hoge arbeidsverzuim bleken daarvan mede oorzaak. Daarbij kwam dan ook nog bij dat de medewerkers zich niet veilig voelden op het moment dat zij met gedetineerden naar de luchtplaats gingen en met hen in een kleine ruimte moesten wachten alvorens de luchtplaats te betreden. Die luchtplaats werd overigens uitsluitend begrensd door een ringmuur. Een aan de binnenzijde van deze ringmuur geplaatst penitentiair hekwerk zoals bij de meeste andere gevangenissen, ontbrak omdat daar binnen de bestaande bouw geen ruimte voor was. Bij de plaatsing van gedetineerden hield de DJI rekening met deze omstandigheid. Gedetineerden met een hoger risico op ontvluchting werden niet in de PI Havenstraat geplaatst.

Het rapport bevatte daarover de volgende opmerkelijke passage: ‘Desalniettemin uit het personeel zorgen over de mogelijkheden om toezicht te houden op het aanpalende terrein. Direct aan de ringmuur grenzen de achtertuinen van bewoners van nabijgelegen woningen. Het komt zo nu en dan voor dat vanuit deze tuinen verboden waar over de ringmuur wordt gegooid. Het personeel kan niet achterhalen wie dit heeft gedaan omdat het vanwege privacyredenen niet is toegestaan camera’s te richten op de achtertuinen van de bewoners. Ook kunnen voorbereidingshandelingen voor een ontvluchting mogelijk minder snel dan gewenst waargenomen worden.’

De Inspectie voor de Sanctietoepassing wilde een jaar na het uitgebrachte rapport, dus in 2012,  de toen nog als Huis van Bewaring functionerende inrichting aan de Havenstraat nog een keer doorlichten. Om te controleren of er verbeteringen te constateren waren in de onveilige staat van de stokoude gevangenis. Dat gebeurde niet, omdat definitieve sluiting in 2013 al te voorzien was. De Inspectie voor de Sanctietoepassing was inmiddels in 2012 opgegaan in de nieuwe Inspectie Veiligheid en Justitie

E zijn in Amsterdam nu drie gevangenissen te koop gezet door het Rijkvastgoedbedrijf: de Bijlmerbajes, de Havenstraat en het voormalige Grenshospitium in Amsterdam Zuid-Oost aan de Tafelbergweg. Dat in 1992 als prefab unitbouw opgeleverde complex was oorspronkelijk een jeugdgevangenis als opvolger van het Lloydhotel, daarna een verblijfplaats voor aan de grens geweigerde asielzoekers (die nu op Schiphol-Oost zitten) , werd vervolgens een Huis van Bewaring en een inrichting voor stelselmatige daders. Staatssecretaris Fred Teeven plaatste ook de PI Tafelbergweg in 2013 op de lijst te sluiten locaties.

 

De Krententuin in Hoorn, gepubliceerd in DeBonjo

De uit 1890 daterende en in 2013 definitief gesloten gevangenis aan de Havenstraat in Amsterdam-Zuid, die tot 1 juli nog dienst deed als noodopvang voor voornamelijk  Syrische asielzoekers, wordt volledig gerenoveerd om te worden overgedragen aan The British School of Amsterdam. The British School, nu nog gehuisvest op drie locaties in Amsterdam, zal eind 2018 of begin 2019 zijn intrek nemen in de historische bajes, die dan plaats zal bieden aan 900 leerlingen. In de loop der jaren zijn meer gevangenissen van gedaante en bestemming veranderd. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Huizen van Bewaring in Almelo en Roermond (beiden hotels), de vrouwengevangenis in Zwolle (’t Spinhuis), de gevangenissen in Leeuwarden (Blokhuispoort) en Utrecht (Wolvenplein) en het hele gevangenisdorp in Veenhuizen.

De voormalige gevangenis met het meest afwisselende verleden is het huidige `gevangenishotel’ Oostereiland in Hoorn. Het eiland werd tussen 1662 en 1656 aangelegd als landtong voor de uitbreiding van de toen florerende havenstad aan de Zuiderzee. De eerste bebouwing bestond uit pakhuizen die vanaf 1690 werden omgevormd tot de Admiraliteit van West- Friesland en het Noorderkwartier. Het Hoornse marine-etablissement moest in de glorietijd van de Verenigde Oostindische Compagnie de Hollandse linieschepen bevoorraden die in Hoorn en Hellevoetsluis hun oorlogshavens hadden. In de Hoornse Grashaven lagen 32 oorlogsschepen.

In 1795 werd de Admiraliteit in Hoorn opgeheven door de Franse bezetter. Vanaf 1817 bood het als bedelaarswerkhuis plaats aan 1400 bedelaars uit heel noordelijk Nederland. De U-vormige bebouwing werd verdubbeld waardoor een carré ontstond. In 1828 werd het bedelaarswerkhuis gesloten, waarna er in het gebouwencomplex een Huis van Correctie voor de noordelijke provincieën van het rijk werd gevestigd. Dat was in feite een gevangenis voor reclasseerbare lichtgestraften, met verplichte arbeid. De gevangenen sliepen in slaapzalen, in hangmatten. Tot er, in verband met ‘grote zedeloosheid’, een uitbreiding volgde met een zogenaamde alkovengebouw, ontworpen door de bekende gevangenisarchitect J.F.Metzelaar. Dat gebouw, met markante rode kappen, werd in 1873 opgeleverd. De gedetineerden werden ’s nachts ingesloten in alkoven, cellen van ijzeren traliewerk. Na een reeks verbouwingen beschikte het complex ook over tal van werkplaatsen waaronder een weverij, een kleermakerij, een borstelmakerij en een schoenmakerij.

Als gevolg van de nieuwe Gestichtenwet van 1884 werd het Huis van Correcties in 1888 opgeheven. Het gebouwencomplex kreeg vervolgens een bestemming als Rijkswerkinrichting voor de executie van de zogenaamde bijkomende straffen, die werden opgelegd aan dronkaards, bedelaars, landlopers en souteneurs. De belangrijkste Rijkswerkinrichtingen bevonden zich in Veenhuizen. De  Krententuin, zoals Oostereiland werd genoemd, was speciaal bestemd voor het bijbrengen van arbeidsethos aan souteneurs, mannen die uit ontucht van vrouwen voordeel hadden getrokken. Zij kregen een bijkomende straf die tot drie jaar kon duren. Over de herkomst van de naam De Krententuin bestaat geen zekerheid. Het kan zijn dat de oorspronkelijke bedelaarskolonie zich al bezighield met het ‘krenten’ van in Hoorn aangevoerde gedroogde druiven.

 In 1932 verdwenen de laatste souteneurs naar Veenhuizen waarna Oostereiland een gemeenschapsgesticht voor kortgestraften werd, met verblijfszalen voor achttien á twintig gedetineerden en dertien slaapzalen voor elk twaalf gedetineerden. Op het terrein van Oostereiland, in het zeventiende-eeuwse gedeelte werd vanaf 1959 de open gevangenis De Sluis gehuisvest, bestemd voor langgestraften die aan hun laatste periode van vijf maanden bezig waren. Zij werkten buiten de poort en mochten gedurende de weekeinden naar huis. De Sluis, die in 1986 werd gerenoveerd, bood plaats aan twintig gedetineerden.

Na 1945 herbergde De Krententuin jarenlang NSB-ers, SS-ers en andere politieke delinquenten van wie er zo’n achthonderd tot duizend in de zalen werden gepropt. In 1974 werd Oostereiland weer als gevangenis heropend, een tijdelijke maatregel vanwege een acuut plaatsgebrek voor de executie van korte vrijheidsstraffen waarvoor de wachttijden uit de hand waren gelopen. De tijdelijke maatregel duurde veertien jaar, de laatste jaren diende Oostereiland als halfopen inrichting voor zelfmelders, kortgestraften zonder voorarrest, die met twaalf man op één zaal sliepen.

Er waren  plannen om op het Oostereiland door renovatie en nieuwbouw een Huis van Bewaring te stichten, om het cellentekort voor preventief gedetineerden in de arrondissementen Alkmaar en Amsterdam te verlichten. Uiteindelijk werd daar vanaf gezien, wegens de moeilijke bereikbaarheid van het eiland. Binnen de gemeente Hoorn verrees een nieuw Huis van Bewaring in Zwaag. Maar Oostereiland bleef voorlopig nog een gevangenis, want vanaf 1988 werden er 136 afgewezen asielzoekers uit Afrika en Azië in bewaring gesteld, in afwachting van hun uitzetting. Geen dag is hetzelfde als je in een gevangenis werkt, was het motto. Directeur W.Hage, die sinds 1983 in Hoorn werkzaam was en directeur zou worden in Zwaag, zei in 1988 tegen Vrij Nederland: ‘Het is waar dat je binnen het gevangeniswezen wel vaak voor verrassingen komt te staan’.

In 1992 werd Oostereiland wederom als gevangenis voor kortgestraften in gebruik genomen, om in 1999 opnieuw voor de opvang van asielzoekers dienst te doen. Op 15 december 2002 verliet de laatste asielzoeker het complex en stond het leeg. In 2007 werd Oostereiland gekocht door de gemeente Hoorn, vanaf 2009 tot halverwege 2012 vindt restauratie en herinrichting plaats. De voormalige gevangeniscellen van De Sluis werden omgetoverd tot elf hotelkamers, met de in tact gehouden sfeer van een bajes. Daarnaast zijn er nog veertien ruimere kamers, een café-restaurant, een brasserie, een cinema en een ‘çultuurplein’ op de voormalige luchtplaats.