Hans Smits journalist | Nieuwe pagina 3 | Nieuwe pagina 4

 

Website van Hans Smits, freelance journalist en auteur

 

Hans Smits werkte vanaf 1955 achtereenvolgens bij Dagblad Kennemerland (Beverwijk), de Verenigde Noordhollandse Dagbladen (centrale redactie in Alkmaar), Dagblad voor West-Friesland (als regiochef in Hoorn), Het Parool, Algemeen Handelsblad (als chef nieuwsdienst) en NRC-Handelsblad. Hij vertrok in 1971 naar Vrij Nederland waarvan hij  tot 1981 politiek redacteur was en vervolgens tot 1999 algemeen redacteur, vanaf 1985 met een nadruk op beide Duitslanden en de hereniging.Van 1976 tot 1981 was hij tevens binnenlandcommentator in het VARA-radioprogramma In de Rooie Haan. Nu is hij freelance journalist en auteur van journalistieke boeken. Hij gaf in de periode 1994-2007 journalistieke trainingen in Kazachstan (voor Stichting Doen), de Bosnisch-Kroatische Federatie en Republika Srpska (voor Press Now en OVSE), Macedonië (Press Now) en Azerbeidzjan (Press Now). Schreef in 2005 vanuit Bakoe een serie Impressies vanuit Azerbeidzjan voor Oneworld.nl. Lezingen gehouden over onder meer Journalistiek in Amsterdam, de Coornhert-Liga en de naoorlogse annexaties van Duits grondgebied. (zie volgende pagina's).

Als part-time docent op de School voor Journalistiek (1988-1991) en van 1990 tot 2008 bij het huidige Centrum voor Communicatie & Journalistiek (voorheen Forum) aan de Hogeschool Utrecht, verzorgde Hans Smits cursussen journalistiek. Van 2001 tot 2007 was hij vast medewerker voor politie en justitie van het weekblad Binnenlands Bestuur.

Van september 2009 tot december 2012 was Hans Smits trainer-begeleider van het project Persmuskiet voor oral history, van het museum NieuwLandErfgoed te Lelystad, dat werd uitgevoerd in opdracht van de Provincie Flevoland en met subsidie van het Fonds voor Cultuurparticipatie. Zie www.flevolandsgeheugen.nl. In 2011 maakte hij de interviews voor de tentoonstelling 25 jaar Flevoland, zowel schriftelijk als (door Marcel Payens) gefilmd. In 2013 projecten bij Jong in Lelystad en Welzijn Lelystad. Vanaf eind 2014 artikelen voor deBonjo, krant over strafrecht en detentie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boeken:

 

Crimineel, meedenken over misdaad en straf, Spectrum 1974

 

De bom in de vuist, de Partij van de Arbeid tussen afschrikking en atoompacifisme, Raamgracht 1984

 

Een pasje meer of minder, over legitimatieplicht NIVON 1992

 

Verward in het driehoeksweb, de relatie tussen Openbaar Ministerie, Politie en Bestuur, Koninklijke Vermande 1995

 

Muurschilderingen, Kleine geschiedenis van de Berlijnse hereniging, Aksant 2005

 

Strafrechthervormers en hemelbestormers, Opkomst en teloorgang van de Coornher-Liga,  Aksant/ AUP 2008

 

Landjepik, de Nederlandse annexatie van Duitsland 1945-1949,  Just Publishers herdruk 2015

 

Publicaties ook in: Hoogovenkrant, 1873 (reclasseringsblad, redacteur), Dijkenkrant, Profiel (Verkeer en Waterstaat), KRI (reclasseringskrant, lid redactiecommissie), Recherchemagazine, De Journalist, De Persmus, Transitions (Praag), Advocatenblad, Ons Amsterdam, Vice Versa

Hoofstukken in of aparte uitgaven: Reclassering in de ring (1974, Ars Aequi, Tjeenk Willink),  Dag Diender (1975, dossier Coornhert Liga, samensteller), Overheidsgeweld en demokratie (1982, Nijmeegs comité voor waakzaamheid tegen fascisme), Handboek Politie Informatie (1985, Fascisme toen en nu), Criminaliteit als politiek probleem  (Gouda Quint 1993, red. J.A.Nijboer e.a.), Fascinatie DDR (Malherb & Partner 2007, van  Friso de Zeeuw), Dossier Starfightervervanging (Sjaloom, 1975, Vervangen is Hangen, samensteller), Het Proces tegen de Staat (1985, bloemlezing uit de aanklachten van 5000 individuele Nederlanders, samensteller, Bevrijding (1989, Afscheidsspeech voor Bram van der Lek)

 

BIJLMERBAJES

Gepubliceerd in DeBonjo, krant over strafrecht en detentie

Het is in het algemeen een achteruitgang wanneer een huis van bewaring buiten de stad wordt gebracht. Het betekent een symbolische en tegelijk een reële vergroting van het isolement, waarin de gedetineerde verkeert. Rechtspraak (en preventieve hechtenis) behoren tot de centrale en kritieke functies van de maatschappij en dienen in de binnenstad plaats te vinden, niet ergens buiten, ver weg van het maatschappelijk leven.’

Dat schreef de Amsterdamse rechter Clovis Cnoop Koopmans in 1970 in het Maandblad voor Berechting en Reclassering. Hij noemde het door Gevangeniswezen in alle stilte uitgewerkte plan voor een nieuw huis van bewaring in Amsterdam ‘onvoldoende verantwoord en heilloos’. Cnoop Koopmans stond bekend als een tegendraads jurist met uitgesproken meningen. Hij werd later zowel vicepresident van de Amsterdamse rechtbank  als (voor de PvdA) lid van de Eerste Kamer en de Amsterdamse gemeenteraad.

Rechter Cnoop Koopmans was de eerste  die in het openbaar protesteerde tegen de voorgenomen bouw van een gigantisch Huis van Bewaring, in een uithoek van Amsterdam. Hij  kreeg nooit een reactie, niet van Justitie en niet van de gemeente Amsterdam. Maar hij was wel de voorloper en

supporter van een omvangrijke protestbeweging, aangestuurd door reclasseringswerkers die in 1973 de actiegroep Stop nieuwbouw huis van bewaring oprichtten. De actiegroep werd ondersteund door zo’n 150 instellingen, waaronder de Coornhert-Liga, de Jellinek Kliniek, reclasseringsinstellingen uit het hele land en de criminologische en strafrechtelijke instituten van vrijwel alle universiteiten. 

Over de lastige bereikbaarheid van de nieuwbouw konden zij niet meer klagen. Want aan de metrolijn naar de Bijlmermeer, waar een nieuw stadsdeel zou verrijzen, was een speciale halte gepland, de tegenwoordige halte Spaklerweg. In een artikel over het verzet tegen de ‘Torens van Babel’ bedacht ik in Vrij Nederland (23-2-1974) dat Bijlmerbajes een mooie naam zou zijn voor deze halte. DIe naam werd daarna geadopteerd door de actiegroep Stop nieuwbouw Huis van Bewaring en sindsdien is de in 1978 geopende penitentiaire inrichting Amsterdam Over-Amstel er nooit meer van losgekomen. Tot de voorgenomen verhuizing in 2017 naar Zaanstad blijft het Bijlmerbajes.

In 1952 was al besloten dat de twee aloude huizen van bewaring in Amsterdam, aan de Havenstraat en aan de Weteringschans, vervangen zouden worden. In 1964 bevestigde minister Scholten van Justitie de voorgenomen bouw van ‘een centraal Huis van Bewaring’. Het gebouwencomplex van Justitie aan de Weteringschans (kantongerecht en huis van bewaring) zou in 1975 plaats moeten maken voor een Bouwes-hotel. Het huis van bewaring aan de Havenstraat moest al veel eerder wijken voor een verkeerscircuit. Het hotel is nooit gebouwd en de (voormalige) gevangenis aan de Havenstraat staat er nog steeds. 

 In januari 1974 beantwoordde Jan Glastra van Loon (D’66), sinds juni 1973 staatssecretaris van Justitie in het kabinet-Den Uyl,  mondelinge kamervragen over de uitgelekte nieuwbouwplannen. In het toen desolate grensgebied met de gemeenten Diemen en Nieuwer-Amstel (Duivendrecht) lag volgens hem het enige beschikbare terrein in de nabijheid van het centrum. De staatssecretaris, een beminnelijk rechtssocioloog, noemde de ‘goede uitgangspunten’ die door Gevangeniswezen waren gehanteerd: voldoende ruimte, behoorlijke bereikbaarheid, mogelijkheden tot interne differentiatie, prima voorzieningen voor de gedetineerden en optimale werkomstandigheden voor het personeel. Hij voegde er nog aan toe: ‘Ik verwacht dat de gedetineerden een vrijer uitzicht zullen hebben.’       

In werkelijkheid had Glastra van Loon ook zijn twijfels over de omvang van het project dat zou bestaan uit een hoofdgebouw en zes cellentorens van veertien verdiepingen, vier torens die dienst zouden doen als regionaal huis van bewaring, een toren als landelijke psychiatrische observatie-afdeling en een toren als landelijke vrouwengevangenis.  De staatssecretaris had naast een alarmerend zwartboek van de actiegroep (totale isolatie!) ook een uitvoerige brief gekregen met alternatieven, ondertekend door honderden rechters, psychiaters en andere deskundigen, onder wie prof.mr.W.F.C.van Hattum, gepensioneerd vicepresident van de rechtbank in Den Haag.  Van Hattum was voorzitter van de Commissie Doelstelling en Functie Huis van Bewaring, die door Justitie zelf in het leven was geroepen. Deze commissie wilde zo klein mogelijke gebouwen met maximaal honderd preventief gedetineerden. Van Hattum liet later weten: ‘Elke massaliteit is funest. Of dat nu om een gevangenis gaat of om een bejaardentehuis. Het is jammer dat de staatssecretaris voor het blok zit en weinig meer aan de plannen kan veranderen.’

 Glastra van Loon kon inderdaad geen kant meer op. Hij wees in het kamerdebat op het grote belang van de aannemers, de firma’s Ballast-Nedam en Brederode, en de vele toeleveringsbedrijven, die hun toekomst hadden afgestemd op werkvoorziening voor enkele jaren. Het zou niet de eerste keer zijn dat gevangenisbouw werd genoemd als middel tegen werkloosheid. Dezelfde Glastra van Loon moest  een jaar later aftreden, omdat justitieminister Dries van Agt de kant koos van de machtige secretaris-generaal Albert Mulder. Glastra van Loon en Mulder lagen in de clinch over het zogenaamde cellentekort. Eén van de bezwaren tegen de bouw van de Bijlmerbajes was juist een te verwachten overcapaciteit aan cellen, omdat het aantal voorarresten in die jaren drastisch daalde.

De Bijlmerbajes werd gebouwd zoals bedoeld. De dichter-criminoloog Manuel Kneepkens (later oprichter en raadslid van de Rotterdamse Stadspartij), die in 1975 voorzitter werd van de Coornhert-Liga, bleef zich symbolisch verzetten. Hij vestigde een traditie door als aanjager van het Jerichocomité jaarlijks een wandeling te organiseren rond de Bijlmerbajes. Na zeven jaar zouden dan de muren omvallen, zoals in de Bijbel de muren van Jericho. Het kon volgens hem geen toeval zijn dat vlakbij, aan de Weespertrekvaart, café De Omval stond.

 

LEVENSLANG IN VROUWENGEVANGENIS   

(DeBonjo februari 2017)

De bekendste Nederlandse vrouwengevangenis van ruim een eeuw geleden stond ongetwijfeld in Gorichem. Want daar verbleef de in 1885 tot levenslange  tuchthuisstraf veroordeelde Maria Catharina Swanenburg, de legendarische Leidse gifmengster. Zij overleed in gevangenschap in 1915, op 75-jarige leeftijd. Goeie Mie, zoals ze werd genoemd omdat zij vaak op kinderen en zieken paste, vergiftigde in drie jaar tijd in haar woonplaats Leiden bijna 100 buurtbewoners van wie er 27 overleden, onder wie zestien familieleden. 

Goeie Mie deed dit om verzekeringsgeld van door haarzelf afgesloten polissen te kunnen innen. Door het mengen van arsenicum in koffie, melk of erwtensoep bracht ze ook haar eigen ouders, haar zuster en vele leden van haar schoonfamilie om het leven. Zij kocht witkalk met arseen als middel tegen wandluis. Het arseen was makkelijk te scheiden.

Pas toen haar zus, zwager en hun zoon kort na elkaar in december 1883 overleden, kreeg een familielid argwaan en sloeg een arts alarm. Er werden zestien lichamen opgegraven en in alle stoffelijke overschotten werd arsenicum gevonden. Goeie Mie, die aanvankelijk alles ontkende en nooit spijt betuigde, kreeg nooit gratie. De doodstraf was overigens in 1870 definitief afgeschaft.

Ook in de meer recente misdaadgeschiedenis zijn er in Nederland nog moorden of pogingen tot moorden gepleegd door gifmengsters, zoals door Riet H. uit Schijndel (eind jaren zestig), Rita T. uit Ede (veroordeeld in 2001) en Gerda K. uit Stadskanaal (veroordeeld in 2008). Gerda K. kreeg de zwaarste straf, twintig jaar. In de drie huidige vrouwengevangenissen (in Evertsoord, Zwolle en Nieuwersluis) zijn naar mijn weten geen gifmengsters meer te vinden. De weinige vrouwen die vastzitten wegens moord of poging tot moord, gebruikten meestal een vuurwapen. Vaak in de relationele sfeer met een gewelddadige partner.

In zijn boek De Macht van het lijden dat in 1996 verscheen, als verkorte versie van zijn proefschrift uit 1990, besteedde de criminoloog (en romanschrijver) Herman Franke aandacht aan de ongelijke behandeling van vrouwelijke gevangenen. In de naoorlogse veranderingen in de situatie van  gevangenen speelde  vrouwenemancipatie volgens hem maar zeer ten dele een rol van betekenis. De commissie-Fick vond in haar pleidooi voor een centrale strafgevangenis voor vrouwen (1947) dat men rekening moest houden met ‘de typisch vrouwelijke behoefte aan grotere huiselijkheid’.  Bovendien diende arbeid ‘het gemoedsleven der vrouwen’ aan te spreken. In de jaren vijftig en zestig ging differentiatie van inrichtingen en selectie van gevangenen nog geheel aan de vrouwelijke gevangenen voorbij evenals de groeiende mogelijkheden om een deel van de straftijd in open of halfopen gevangenissen door te brengen. Franke: ‘Hoewel vrouwen in de praktijk veel minder vluchtgevaarlijk en agressief waren en zijn dan mannen.’ In de jaren zeventig verslechterde hun situatie zelfs doordat het aantal vrouwelijke gevangenen sterk terugliep en ook de vrouwenafdelingen buiten Rotterdam werden opgeheven.

Vanaf 1 januari 1973 verbleven alle vrouwelijke gedetineerden, veroordeelden en onveroordeelden, in een oud gebouw in Rotterdam. Toch profiteerden de vrouwen wel van veranderingen waarbij bijvoorbeeld overleg in de plaats kwam van bevelen en de wederzijde afhankelijkheid tussen gedetineerden en personeel toenam. Franke tekende daarbij aan dat volgens diverse onderzoekers de solidariteit onder vrouwelijke gevangenen groter is dan die onder mannen wat hun machtspositie tegenover het personeel versterkte. Jaloezie en geroddel zouden daarentegen meer onder vrouwen voorkomen, wat weer niet bevorderlijk bleek voor de onderlinge verhoudingen.

In de jaren zeventig werd de strijd voor gelijke behandeling van vrouwelijke gedetineerden gevoerd vanuit de vrouwenbeweging. Langgestraften vrouwen in Rotterdam eisten via een kort geding hetzelfde arbeidsloon als dat van langgestrafte mannen. De eis werd afgewezen maar kort daarna werden de lonen alsnog gelijkgetrokken. Na de verhuizing van de vrouwelijke gedetineerden van Rotterdam naar de aparte vrouwentoren van de in 1978 geopende Bijlmerbajes in Amsterdam, was van een open of halfopen gevangenis, zoals mannen die kenden, nog steeds geen sprake. In die situatie kwam verandering door de ingebruikneming van twee vrouwenpaviljoens in het nieuwe Maastrichtse Huis van Bewaring. Aanvankelijk werden daar alleen preventief gehechten en kortgestraften opgenomen, maar later kregen die paviljoens ook de bestemming van een open gevangenis en een zelfmeldinrichting.  In de jaren tachtig en negentig werden nog meer vrouwengevangenissen in gebruik genomen. In 1994 waren er zelfs veertien strafgevangenissen en huizen van bewaring voor vrouwen, waarvan twee een open en twee een halfopen karakter hadden.

Zoals alles in het Gevangeniswezen veranderde het tableau daarna weer drastisch. Het aantal vrouwengevangenissen werd teruggebracht tot drie. Eind jaren tachtig werd de Penitentiaire Inrichting Ter Peel in Evertsoord, in de Limburgse gemeente Horst aan de Maas, oorspronkelijk een mannengevangenis in een oud klooster, in gebruik genomen als vrouwengevangenis. Ter Peel is tevens Huis van Bewaring,  Beperkt Beveiligde Instelling en Zeer Beperkt Beveiligde Instelling en is deels ingericht voor moeders met kinderen tot vier jaar. Na de sluiting van de vrouwentoren in Amsterdam, werd Ter Peel de grootste vrouwengevangenis, naast Breda (in de Koepel) en Zwolle. Voordat de Bredase Koepelgevangenis werd gesloten in 2014, werden de daar gedetineerde vrouwen overgebracht naar Ter Peel. Daar zitten nu betrekkelijk veel op Schiphol betrapte cocaïnekoeriers, maar ook langgestraften voor onder meer levensdelicten en drugshandel.

 In Zwolle is een deel van de vrouwengevangenis een Inrichting voor Stelselmatige Daders. Dat zijn  veelplegers (vaak diefstal) die soms met psychiatrische stoornissen en verslaving aan drugs, alcohol of GHB, op straat leefden of in de prostitutie zaten. Een ISD-maatregel duurt twee jaar. De derde vrouwengevangenis, voor tweederde deel Huis van Bewaring, bevindt zich in Nieuwersluis, achter de voormalige militaire gevangenis. Daar bevinden zich ook vrouwen die nog terecht moeten staan voor zwaardere criminaliteit, zoals deelname aan overvallen of vrouwenhandel.

Vrouwengevangenissen staan de laatste jaren in de belangstelling. In september vorig jaar kregen alle gedetineerde vrouwen in Nederland de LINDA van die maand, met detentie als thema. Het eerste exemplaar werd door een team van LINDA overhandigd in Ter Peel. In 2014 maakten Hugo Arlman en John Peters voor de NTR de driedelige televisieserie Vrouwen achter tralies over Ter Peel, Zwolle en Nieuwersluis (terug te zien op NPO.nl). Daarin kwamen naast personeelsleden ook  vrij veel gedetineerde vrouwen aan het woord. In dat jaar 2014 waren er 700 vrouwen gedetineerd tegen 12.000 mannen. Het percentage vrouwen was dus nog geen 6%. In december 2016 maakte het CBS bekend dat het totaal aantal gedetineerden tussen 2005 en 2015 met 20% was gedaald. Tussen 2014 en 2015 was de daling 8%. Deze daling gold voor alle leeftijdsgroepen en herkomstgroeperingen en zowel voor mannen als voor vrouwen.

 

 

SLIKKERS VAN VREEMDE VOORWERPEN

(DeBonjo april 2017)

Het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg, op het terrein van de voormalige strafgevangenis in Scheveningen, biedt zorg aan zeer uiteenlopende patiëntengroepen. Naast de chirurgische en niet-chirurgische patiënten zijn er specifieke patiëntengroepen, zoals revalidatiepatïënten, zorgpatiënten en  terminale patiënten. Opvallend in deze categorie zijn de eet- en drinkstakers en de ‘slikkers van corpora aliena’ oftewel gedetineerden die ‘vreemde voorwerpen’ hebben ingeslikt.

Een voorloper van het huidige gevangenisziekenhuis was het Centraal Ziekenhuis van het Gevangeniswezen  op het bosrijke terrein van de gevangenis Nieuw Vosseveldt in Vught. Ik bezocht dat ziekenhuis voor een reportage in Het Parool, gepubliceerd op 17 april 1965. Mijn belangstelling gold de ‘slikkers van corpora aliena’. Naast het toenemend aantal zelfmoorden en zelfmoordpogingen in de gevangenissen en huizen van bewaring was de grote stijging van het aantal parasuïdes al in de jaren zestig een probleem dat zich in later jaren doorzette. Parasuïde was het verzamelbegrip voor het innemen van overdoses medicijnen, voedselweigering, zelfverminkingen (automutilatie) en het slikken van vreemde voorwerpen. De arts J.H.Vermeijden van het Centraal Ziekenhuis van het Gevangeniswezen schreef in 1969 dat het ‘slikken’ typisch iets was voor de ‘opgesloten, ingesloten en uitgesloten mens’, omdat deze vorm van zelfverwonding eerder tot  aandacht en behandeling zou leiden dan het zichzelf toebrengen van snijwonden, ‘die met een verbandje konden worden afgedaan.’

Dezelfde dokter Vermeijden leidde mij in 1965 rond in ‘zijn’ ziekenhuis in Vught. Hij had daar een verzameling laten aanleggen van alle voorwerpen die gedurende acht jaar uit de ingewanden van gedetineerden waren gekomen: vaak langs natuurlijke weg, maar niet zelden na een moeizame en levensgevaarlijke operatie. Vorken, messen, lepels, wasknijpers, spijkers, stukken hengsels van emmers, scheermessen, glas en een grillige voorraad andere attributen vormden stille getuigen van paniekreacties in de gevangenissen.

Een man die lange tijd werd behandeld voor maagkanker, bleek honderdvier stukken draad te hebben genuttigd. Een jonge gedetineerde, die eerder zijn moeder al zakgeldverhoging afdwong door het eten van wasknijpers, belandde om de een of andere reden in een Huis van Bewaring. Hij kreeg daar de opdracht drieduizend knijpers in elkaar te zetten en slikte er dezelfde dag twaalf naar binnen. Een gevangene die al berucht was om zijn ‘vreemde eetlust’, mocht niets meenemen in zijn cel. Behalve een crucifix. Hij brak de armen van het kruisbeeldje zodat het wat soepeler door zijn slokdarm gleed. Een routinier gaf een celgenoot les, bond een spijker aan een touwtje en demonstreerde de kunst van het slikken. Het touwtje brak en de spijker moest chirurgisch verwijderd worden. Er was zelfs een gedetineerde van wie vijfentwintig operaties stonden geregistreerd. Hij noemde zichzelf fakir. Een variant op het ‘slikken’ was het ‘zuigen’ van spijkertjes en spelden, die dan in de longen terechtkwamen.

Van elke patïent die beweerde iets te hebben ingeslikt werd eerst een röntgenfoto gemaakt, die metalen voorwerpen zichtbaar maakt. Dokter Vermeijden vond daarom dat het om diagnostische redenen gevaarlijk zou zijn om gedetineerden met plastic bestek te laten eten.Tot de collectie in Vught behoorden twee glazen potten boordevol glasscherven van een aan honderden stukjes kapotgeslagen urinaal. Het duurde maanden voordat de man, die dit glas in één dag consumeerde, het ziekenhuis kon verlaten.

Bezoekers van het gevangenisziekenhuis in Vught moesten lopen langs het kille meer De IJzeren Man, een groot kazernecomplex en het Moluks woonoord Lunetten. Bij een zwaarbewaakt hek dat een dubbele prikkeldraadomheining onderbrak, zorgden gewapende mannen voor een behoedzame begeleiding langs een reeks gelijkvormige houten gebouwen, de gevangenis voor jeugdige veroordeelden met een relatief lange vrijheidsstraf. Daartussen lag het ziekenhuis, een ruime barak die in 1944 was ingericht als hospitaal van Durchgangslager Herzogenbusch, het beruchte kamp Vught.

In 1970 verhuisde het gevangenisziekenhuis naar Scheveningen. Sindsdien was PI Vught het toneel van een reeks verbouwingen en nieuwbouw, bijvoorbeeld voor een Verslaafden Begeleidingsafdeling en een Individuele Begeleidingsafdeling voor gedetineerden met een psychische stoornis. Op het terrein van Nieuw Vosseveld, uitgebreid met het voormalige Molukse woonoord, werd in 1997 de nieuwbouw voor de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in gebruik genomen.

Het gevangenisziekenhuis in Vught, dat voor het niet-medische gedeelte onder de directie stond van de gevangenis Nieuw Vosseveld, had met dokter Vermeijden als hoofd, een status als tijdelijke gevangenis, Huis van Bewaring, rijkswerkinrichting, psychopatenasiel, jeugd- en vrouwengevangenis. Als het nodig was bood het ziekenhuis ook onderdak aan zieke oorlogsmisdadigers die in de koepel van Breda gevangen zaten. Er heerste een humaan klimaat, met veel licht, lucht en grote hygiène. En ook zonder tralies en gerammel met sleutelbossen. ‘Daarmee is een snelle genezing niet gebaat’, vertelde dokter Vermeijden: ‘Onze zieken zijn gedetineerden, maar ook medemensen. Wij blijven in hun ogen van Justitie, zij staan aan de andere kant. Maar er hoeft geen vijandschap te zijn. Er wordt hier gewerkt met een erecode. Iedere inbreuk op afspraken leidt tot een strenger regime. Het helpt. Ik werk hier nu acht jaar en heb maar één keer meegemaakt dat iemand is ontvlucht.’

Dokter Vermeijden werd bijgestaan door specialisten uit Den Bosch van wie een chirurg en een internist het meest werden geconsulteerd. De klachten van een groot aantal patiënten was volgens Vermeijden terug te voeren tot innerlijke spanningen: ‘Een even spectaculaire als trieste uitwas hiervan wordt gevormd door de slikkers. Na lang opzouten van moeilijkkheden is dit een uitweg. Een gevangene denkt daarbij niet direct aan zelfmoord. Hij wil op de eerste plaats de aandacht op zich vestigen. De gedetineerden slaan na het slikken dan ook direct alarm. Soms is de enige oorzaak een ontmoedigende boodschap, door een brief of een bezoeker gebracht..’

Een kleine groep slikte volgens Vermeijden uit berekening: ‘Om de gevangenissleur te doorbreken, om gratie of overplaatsing te verkrijgen of juist om in dit ziekenhuis te worden opgenomen.’