Nieuwe pagina | Hans Smits journalist | Nieuwe pagina 3 | Nieuwe pagina 4

 

 

 

 

 

 

 

Lezing in het Bevrijdingsmuseum te Groesbeek, op 20 maart 2013

 

Hoe kwam ik ertoe om boek Landjepik te schrijven? Het idee ontstond niet toevallig in het jaar dat het Verdrag van Schengen in werking trad. 1985: West-Europa opende de grenzen. Veertig jaar na de bevrijding. Over de Nederlandse grens met het verslagen Duitsland en de annexatiedrang in de eerste jaren na de bevrijding, schreef ik in 1985 twee forse stukken in Vrij Nederland, waarvan ik van 1971 tot 1999 redacteur ben geweest. Het eerste stuk stond in het eerste nummer van de maand mei, dat traditioneel bij Vrij Nederland, voortgekomen uit het verzet, geheel aan de bevrijding en bezetting was gewijd. Ik had sinds 1980 Duitsland in mijn portefeuille. En kwam daar vaak, vooral in Bonn en Berlijn. Over de Berlijnse hereniging heb ik in 2005 een boek geschreven, getiteld Muurschilderingen. In 2008 schreef ik een boek over de Coornhert-Liga, Strafrechthervormers en Hemelbestormers. In 2010 zocht ik naar een nieuw onderwerp. Inmiddels had ik in de loop der jaren steeds meer brochures over de annexatiekwestie verzameld via antquariaten en websites.

 

Het onderwerp was boeiend en toch vrijwel vergeten. Want wie wist er nog dat er in de naoorlogse jaren een maatschappelijke discussie was losgebarsten over annexatie van Duits grondgebied. Met forse claims. Soms ging het daarbij om een tweemaal zo groot Nederland en het deporteren van vele miljoenen Duitsers. Ook grote steden als Bremen, Münster, Mönchengladbach, Aken en zelfs Keulen zouden Nederlands moeten worden.

 

De opeenvolgende regeringen in de periode 1945-1949 waren heel wat bescheidener, maar stelden wel alles in het werk om de landsgrenzen oostwaarts op te schuiven. De kabinetten Schermerhorn-Drees en Beel hadden een bijzondere belangstelling voor het Eems-Dollard-gebied. Men keek daarbij met een zekere gretigheid naar het Waddeneiland Borkum, waar wij 20.000 oorlogsmisdadigers en collaborateurs wilden opbergen. De begeerte ging verder uit naar alle grensgebieden waar een Nedersaksisch dialect werd gesproken, maar vooral ook naar olievelden en kolenmijnen. Uiteindelijk kwamen er minuscule grenscorrecties, waarvan Elten en Tudderen nog het meest omvangrijk waren. Die werden door het kabinet-Drees-Van Schaik al snel ingezet als onderhandelingsobject met de nieuwe Bondsrepubliek, om toch nog zeggenschap te krijgen over de Dollard, die Nederland zo graag wilde inpolderen. Daarvoor moest eindelijk de langslepende grenskwestie in het Eems-Dollard-gebied worden opgelost, ten gunste van Nederland. Maar zelfs dat lukte niet.

 

Het hele annexatieverhaal is achteraf een deerniswekkende en episode geweest in de vaderlandse geschiedenis. Inmiddels treurt niemand daarover, want de grens met Duitsland is al dertig jaar open en de Duits-Nederlandse samenwerking floreert. Er zijn wel irritaties over windmolenparken in de Noordzee en de bedreiging van de Waddenzee door de opkomst van Eemshaven als snelgroeiend energiecentrum. Daarmee eindig ik mijn boek, dat in november vorig jaar is verschenen.

 

Terug naar 1985 en mijn belangstelling voor de annexatieperikelen. Ik had een aantal brochures uit de periode 1945-1949 opgediept die ik nogal curieus vond. En om een goed beeld te krijgen van de grensstreek, bracht ik bezoeken aan Emden, Borkum, Nieuweschans, Coevorden en de Bentheimer Bocht, Elten en Emmerich, Kleef, het dubbeldorp Dinxperlo-Suderwick,Venlo, Sittard, Tüddern en andere dorpen in de Selfkant, Kerkrade en het aangrenzende Hertogenrath, Vaals en de Akense wijk Vaalserquartier.

 

Het eerste stuk stond op 4 mei 1985 in Vrij Nederland, met tekeningen van Jo Spier uit zijn in 1945 verschenen prenteboekje over de annexatie, getiteld Onze schulden zijn hún schuld. De kop was een aandachttrekkend citaat: ‘Ons land heeft al de zorg voor 70 miljoen Indonesiërs, daar zouden nog eens 40 miljoen Duitsers bij komen’. Het was een citaat uit een in 1945 verspreide brochure van drs. G.H.L.Zeegers, die al vanaf 1941 hoofd was van de afdeling sociaal-economisch onderzoek bij de Rijksdienst voor het Nationaal Plan. Hij lanceerde een plan voor een annexatiegebied én een mandaatgebied waarbinnen ook het gehele Ruhrgebied zou moeten vallen. Het was hem voornamelijk te doen om de heropvoeding van het Duitse volk. Zeegers ging er vanuit dat het Duitse Rijk in stukken zou worden verdeeld waarover de buurlanden zich zouden ontfermen. Nederland zou volgens hem de zorg krijgen voor het gehele noorden van Duitsland tot aan Frankfurt. Hij rekende zelfs de latere DDR mee. Dat Noordduitse gebied werd volgens Zeegers in hoofdzaak bewoond door Nederduitsers, die nog Vernederlandst en dus opgevoed konden worden. Van de veertig miljoen Duitsers die dat gebied bewoonden, zouden er in eerste instantie vier miljoen onder onze hoede gebracht moeten worden. Volgens Zeegers een kweekbed waaruit pootgoed, goed geselecteerd, naar het overige Noord-Duitsland kon worden gezonden, ‘uiteindelijk onder Nederlandse leiding’.

 

De brochure werd aanbevolen door zijn toenmalige baas, dr.ir.Frits Bakker Schut, ook al sinds 1941 directeur van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, dat in 1945 door het kabinet-Schermerhorn werd ondergebracht bij het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw. Diezelfde Bakker Schut wilde juist alle Duitsers verjagen uit het door Nederland te annexeren gebied. Maar daarover straks.

 

In de inleiding van mijn artikel in Vrij Nederland stond het volgende te lezen: Nederland na de bevrijding. Onderwerpen om over te discussiëren, in alle vrijheid, waren er in overvloed. Toch was er één onderwerp dat de gemoederen heviger bezighield dan toch veel belangrijker zaken als de wederopbouw, de zuivering, de nog voortdurende oorlog in ons Indië en het krachtenspel van de geallieerden in Europa. Dat onderwerp was: annexatie. Daarover verschenen zo’n zestig brochures. En de kranten, aanvankelijk ook de illegale kranten, stonden er bol van.

 

Dat eerste artikel ging over de voorgenomen annexatie van Borkum, de Eemsmond, Oost-Friesland wel of niet inclusief Emden of zelfs geheel Noord-Duitsland. De rest bewaarde ik voor het tweede artikel dat een week later werd gepubliceerd.

 

Ik ging eerst naar Emden en vandaar met de boot naar Borkum. De rechtstreekse verbinding Eemhaven-Borkum zou in juni van dat jaar van start gaan. Dat was al een mooie aanleiding. Bovendien had ik in de studie over het kabinet-Schermerhorn-Beel gelezen dat dit kabinet serieus was ingegaan op het voorstel van de Raad voor Binnenlands Bestuur om van Borkum, dat hoogstwaarschijnlijk bij Nederland zou worden gevoegd, een strafeiland te maken.

 

In de vele hotels van het Kurort en de kazernes van de Zeevesting zouden zo'n 20.000 NSB-ers en SS-ers opgeborgen kunnen worden die dan ook nog aan het werk moesten worden gezet. In ontmoette op Borkum de gids voor wadlopers Hans Peter Wegmann, die de geschiedenis van het eiland had beschreven en echt alles wist te vertellen over de jaren dertig, de oorlogsjaren en de bezetting van Borkum door de Engelsen in 1945. Hij was, zoals veel Borkummers, van Nederlandse afkomst, zijn grootmoeder was zelfs geboren op Rottum. Toch hadden de eilanders, volgens Wegmann, geen enkele behoefte om Nederlander te worden. Zij waren bang voor de gevolgen van annexatie.

 

In dat eerste artikel beschreef ik hoe Eelco van Kleffens, minister van Buitenlandse Zaken in het oorlogskabinet in Londen, in 1944 als eerste het idee lanceerde om met annexatie te dreigen als de Duitsers grote delen van Nederland onder water zouden zetten. Hij werd ook de eerste naoorlogse minister van Buitenlandse Zaken en in die hoedanigheid zette hij een plan op papier om de Nederlandse grens op twee plaatsen te verschuiven, wat zou neerkomen op een gebiedsuitbreiding van 10.500 vierkante kilometer met een bevolking van anderhalf miljoen. Hij dacht aan een noordelijk gedeelte beoosten Groningen, Drenthe en Overijssel met inbegrip van Oost-Friesland en het Graafschap Bentheim en een zuidelijk stuk ten westen van de Rijn en ten noorden van de lijn die Vaals verbindt met de Rijn in de buurt van Neuss. Dus inclusief het land van Kleef, Opper-Gelre en een deel van het Rurhgebied. De inwoners van die gebieden zouden, zo meende Van Kleffens, binnen drie jaar uitgewezen moeten worden. Met uitzondering van waardevolle elementen, zoals mijnwerkers. Maar Van Kleffens kreeg weinig steun in het kabinet. Premier Scherherhorn stelde zich op het standpunt dat de Duitse westgrens een Westeuropees vraagstuk was en de toen nog SDAP-ministers Drees en Vos waren gekant tegen elke vorm van annexatie. Bovendien was een annexatiecommissie aan het werk gezet, onder voorzitterschap van SDAP-voorzitter Koos Vorrink, ook een tegenstander van annexatie. Die annexatiecommissie betoonde zich uiteindelijk wel voorstander van zogeheten grenscorrecties, beschikking over Duitse hulpbronnen (zoals olievelden en kolenmijnen) en deelneming aan de bezetting van economisch belangrijke gebieden. Minister Ringers van Openbare Werken stelde aan de hand van deze aanbevelingen een nota op samen met minister Lieftinck van Financiën. Zij trokken de grens langs de kust van Oost-Friesland (Borkum bij Nederland) waarbij de Groningse kust zou doorlopen tot de monding van de Eems. Opdat de Dollard geheel Nederlands zou worden en dus kon worden ingepolderd. En Emden werd uitgeschakeld als concurrent van Rotterdam.

 

Die zogenaamde grenscorrecties, betroffen volgens Ringers ook het graafschap Bentheim en het grensgebied tussen Twente en de Achterhoek, inclusief Emmerich, Kleve, Goch en Kevelaer. Ook het gebied tussen Roermond en Mönchen-Gladbach moest Nederlands worden, evenals het gebied ten westen van de lijn Vlodrop-Vaals inclusief Herzogenrath.

 

Binnen de door Ringers voorgestelde nieuw-Nederlandse gebieden lag een flink aantal mijnconcessie, zowel in het Peelgebied als bij Zuid-Limburg.

 

Toch was dit allemaal heel bescheiden in vergelijking met de wensen van bijvoorbeeld het in 1945 opgerichte Nederlandsche Comité voor gebiedsuitbreiding, waarvan twee voormalige ministers uit het kabinet-Gerbrandy voorzitter zijn geweest: Van den Broek en van Lith de Jeude. Beiden waren in Londen al overtuigd voorstanders van annexatie, trouwens in goed gezelschap van koningin Wilhelmina.

 

Het boegbeeld van dat comité werd de secretaris, Frits Bakker Schut, die ik eerder noemde, directeur van de Rijksdienst voor het Nationale Plan. Zijn brochure Uitbreiding Nederlands grondgebied gewenst?, met een vraagteken, zette de toon voor vele andere brochureschrijvers. Zijn belangrijkste argument was de bevolkingspolitiek. Wat Nederland nodig had was samen te vatten in een Duits woord: Lebensraum. Dat klonk niet iedereen even goed in de oren.

 

De motivatie in de brochures die pleitten voor annexatie was trouwens zeer uiteenlopend. Voor velen ging het om een logische vergoeding in natura voor geleden oorlogsschade. De Duitsers hadden immers onnoemlijk veel vernield en geroofd. Dat konden zij direct na de capitulatie nooit vergoeden. Daarom wilden wij land in plaats van geld.

 

En dat waren er de historische aanspraken. Waren Oost-Friesland, het Graafschap Bentheim, het Land van Kleef en het Duitse deel van het vroegere hertogdom Gelre, ook vanwege stam- en taalverwantschap, niet van origine Nederlands? Wij wilden ook graag de grillige grenzen rechttrekken en tegelijk een vooruitgeschoven verdedigingslinie creëren als Duitsland wederom oorlogszuchtig zou worden.

 

En wij hadden, zoals Bakker Schut benadrukte, de Duitse grond gewoon nodig voor onze jonge boeren. Nederland zou met negen miljoen inwoners overvol zijn. We moesten, volgens Bakker Schut, tot het jaar 2000 genoeg ruimte hebben voor vier miljoen nieuwe Nederlanders. Dus daarom moest het land leeg worden opgeleverd.

 

Bovendien lokten de Duitse oliebronnen en kolenmijnen langs onze grens voor de wederopbouw van Nederland. Al die argumenten zijn gebruikt, ook het argument dat wij eindelijk weer een echt belangrijk land moesten worden, een groot koloniaal rijk waardig.

 

De voorstanders waren het overigens onderling zeer oneens over het lot van de Duitsers in de te annexeren gebieden. Mochten zij blijven, als verwante Nederduitsers, of werden zij verdreven omdat wij leeg land nodig hadden, of omdat wij geen opstandige minderheden in Nederland konden gebruiken en zeker geen verstokte nazi’s. Dat laatste was ook het argument van veel tegenstanders van annexatie.

 

Maar er waren er ook morele, politieke en juridische bezwaren. Land afpakken, dat doe je niet zomaar en bovendien verdienen de Duitsers, die tenslotte niet allemaal nazi’s waren, een nieuwe kans. Hier en daar werd de Koude Oorlog al voorvoeld. We zullen Duitsland nodig hebben om de Russen te weerstaan.

 

Frits Bakker Schut had zijn twee plannen tot in de details uitgewerkt. Plan A van 32.300 vierkante kilometer met drie miljoen mensen en plan B van 25.300 vierkante kilometer met vierënhalf miljoen mensen. In plan A zouden steden als Oldenburg, Wilhelmshaven, Münster, Osnabrück en Aken Nederlands worden. Plan B, voor het geval Frankrijk en België hun grenzen tot aan de Rijn wilden opschuiven, kwamen daar ook nog Mönchen-Gladbach, Krefeld en Keulen bij.

 

Geheel vrij van Duitsers, om plaats te maken voor Nederlandse kolonisten. De populaire schrijver Piet Bakker haakte daarop in met een brochure die de titel droeg Pauperiseeren, emigreeren, vegeteeren….of annexeeren.

 

 

 

  

 

Lezing over de Coornhert-Liga, voor het Agnietenconvent in de Openbare Bibliotheek te Gouda, op 11 maart 2007

 

 

 

Zesendertig jaar geleden, in juni 1971, werd een vereniging voor strafrechtshervorming opgericht die de naam kreeg van Dirk Volkertszoon Coornhert, de filosoof, rechtsgeleerde en humanist die, zoals u weet, hier in Gouda zijn laatste levensjaren doorbracht en in 1590 in de St.Janskerk werd begraven. Hij was de eerste Nederlander die zich verdiepte in de oorzaken van criminaliteit. In zijn boek Boeventucht pleitte hij voor een zinvolle strafoplegging. Ik was als journalist getuige van de oprichting van de Coornhert-Liga en ik ben nu bezig met het schrijven van een boek over de inmiddels al acht jaar sluimerende, maar nog niet vergeten vereniging.   

 

In de jaren zeventig waren veel strafrechtsgeleerden en criminologen actief in of tenminste sympathisant van de Coornhert-Liga. Datzelfde gold voor vele honderden ambitieuze rechtenstudenten, jonge wetenschappelijke medewerkers en advocaten, gerechtspsychiaters, aankomende leden van de rechterlijke macht en reclasseringsmedewerkers. De door de Coornhert-Liga uitgebrachte alternatieve justitiebegrotingen speelden een belangrijke rol in het proces van strafrechtshervorming dat in de jaren zeventig daadwerkelijk plaatsvond. Justitiespecialisten uit alle fracties in de Tweede Kamer lieten zich graag bijpraten door de deskundigen van de Liga. Minister van Justitie Dries van Agt was in zijn vorige functie, hoogleraar strafrecht in Nijmegen, lid van de Coornhert-Liga geweest. Een bescheiden lid op de achtergrond was de eminente strafrechtsgeleerde Langemeijer, procureur-generaal bij de Hoge Raad.

Wie nu, in 2007, op Internet zoekt naar de Coornhert-Liga die vindt een nietszeggende website, die sinds 1999 niet is bijgewerkt. Alle serieuze verwijzingen naar de Coornhert-Liga dateren uit de vorige eeuw. De Liga is nooit echt opgeheven, maar ligt al acht jaar in coma.

Er zijn op internet nog wel actuele hints te vinden. Meestal met een vijandige strekking en geschreven door chatters die denken dat de Coornhert-Liga nog steeds actief is. Voorbeelden:

-In het bange Coornhertliga-landje waar misdadigers als slachtoffers worden behandeld, is het natuurlijk niet verwonderlijk dat ze ieder klachtje van een crimineel heel serieus nemen. 

-De meeste strafrechters zijn lid van de ultralinkse Coornhert- Liga die statutair tot doel heeft de maatschappij te ontwrichten

-Op water en brood in een kaal hok. Zou goed zijn voor die wereldvreemde idioten van de Coornhert-Liga

 

Ik kwam ook het woord Coornhertisme tegen, waarmee het goedpraten van criminelen ten koste van de slachtoffers wordt bedoeld. En dan te weten dat door de Liga-oprichters al in 1971 een congres werd gehouden dat ging over de slachtoffers van delicten. In de eerste alternatieve justitiebegroting van de Coornhert-Liga werd als één van de uitgangspunten van het gewenste strafrechtelijk beleid genoemd: prioriteit van maatregelen vóór slachtoffers boven die tégen daders. En in de alternatieve begroting 1976, die geheel in het teken stond van het welzijnsbeleid, werd uitgebreid aandacht besteed aan de hulpverlening en schadevergoeding aan slachtoffers van strafbare gedragingen.

 

Het waren faculteitsverenigingen, van studenten in de rechtswetenschap en de sociologie, die aan de wieg stonden van de Coornhert-Liga. Die studenten hadden uiteraard hun inspiratiebronnen. Ik heb hier een treffend citaat uit 1967.

'Schuldgevoel kan bij de dader strafbehoefte oproepen, maar ook de behoefte om iets goed te maken. Schuld behoeft niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats goedgemaakt te worden door straf. Het is een goede zaak, indien men met de dader in dialoog treedt over de weg naar verzoening, hetzij dat deze betreden kan worden door het weer goed maken, hetzij door de vergeving, hetzij door de straf. Voorwaarde tot dat alles is het inzicht van de dader in zijn misdraging'. 

Nu zouden de opstellers van een dergelijke tekst in de publieke opinie -en ook door menige politicus en columnist- op zijn minst wereldvreemde softies worden genoemd en misschien zelfs gek of gevaarlijk. Maar veertig jaar geleden was het een conclusie van een commissie, die bestond uit gezaghebbende hoogleraren en toekomstige hoogleraren in het strafrecht, de criminologie en de forensische psychiatrie, met als voorzitter de emeritus hoogleraar strafrecht Willem Pompe, één der grondleggers van de sterk ethisch gerichte Utrechtse school. De commissie had zich op uitnodiging van het Nederlands Gesprek Centrum gebogen over de verhouding tussen misdaad en straf. Tot de commissieleden behoorden onder meer de procureur-generaal Langemeijer, de latere KVP-minister Veringa, het PvdA-kamerlid Singer-Dekker en de criminologen Bianchi en Hoefnagels.

De commissie hoopte dat haar rapport Misdaad en straf, uitgegeven in 1968 en spoedig herdrukt, mede aanleiding zou geven 'tot reorganisatie van onze strafrechtsbedeling'.

 

In datzelfde jaar 1968 werd in het kader van het Studium Generale van de Katholieke Universiteit te Nijmegen een serie lezingen gehouden onder de titel Heeft het strafrecht nog zin? De toen nog weinig bekende hoogleraar strafrecht Louk Hulsman lanceerde in zijn lezing opvallende definities: criminaliteit is een onvermijdelijk maatschappelijk verschijnsel, criminaliteit is niets anders dan een norminbreuk waartegen strafrechtelijk mag worden opgetreden. Langemeijer (ook hij weer) vond het grote bezwaar van alle straf dat hier de ene feilbare en onvolmaakte mens het erop aanlegt leed toe te brengen aan een ander mens. En Allewijn, toen de hoogste baas van het gevangeniswezen, hekelde het feit dat de samenleving niet bereid is om voldoende tijd, energie, mensen en geld in te zetten om het gevangeniswezen maar enigermate in overeenstemming te brengen met de beschaving, de cultuur en de welvaart van die samenleving. Hij vond de wijze waarop anno 1968 noodgedwongen straffen werden uitgevoerd, de samenleving onwaardig.

Het Nijmeegs criminologisch dispuut bundelde deze lezingen, met een voorwoord van de kersverse hoogleraar strafrecht in Nijmegen, Dries van Agt. Hij schreef dat voor het strafrecht reflectie dringend geboden was: 'Vooreerst omdat een recht dat mensen aantast in hun vrijheid en andere vitale belangen, een paradoxaal verschijnsel is dat legitimatie blijft behoeven, bovendien omdat het functioneren van dat strafrecht op een toenemende kritiek in onze samenleving stuit.'

 

Het waren voortekenen dat de culturele revolutie die Nederland vanaf 1966 overspoelde, alles moest anders en democratischer, ook was doorgedrongen tot het voordien gesloten wereldje van strafrechtsgeleerden. Daarbij moet  worden bedacht dat een wetenschappelijke discussie over de betrekkelijkheid van misdaad en straf al in de jaren vijftig plaatsvond, mede als gevolg van ervaringen in de oorlogsjaren. Niet alleen waren politie, Openbaar Ministerie en Gevangeniswezen in de periode 1940-1945 dienstbaar aan de Duitse bezetter en het nationaal-socialisme, gelijkgeschakeld heette dat, maar ook deden duizenden Nederlanders, die in normale tijden nooit in de gevangenis gekomen zouden zijn, ervaring op met vrijheidsberoving. Zij hebben aan den lijve ondervonden wat gevangenschap betekent. Niet alleen in het beruchte Oranje-Hotel in de Scheveningen, de kampen Amersfoort en Vught, maar ook in alle andere gevangenissen en huizen van bewaring zaten Nederlanders opgesloten die in de ogen van de bezetter delicten hadden gepleegd: van zwarte handel tot terrorisme, zoals alle verzetsdaden werden aangemerkt. En een deel van de bloem der natie bevond zich in het gijzelaarskamp Sint Michielsgestel.

Na de bevrijding bleek de publieke belangstelling voor het gevangeniswezen groter dan ooit. Toen werden opnieuw duizenden mensen als politieke delinquenten geïnterneerd, ditmaal NSB-ers en SS-ers. Er kwam daarbij van alles op gang wat in het vooroorlogse gevangeniswezen had ontbroken: het aantrekken van sociale werkers, commissies van geestelijke en sociale verzorgers, experimenten met open gestichten, veel ruimte voor reclassering.

Dat leidde in 1951 tot een nieuwe Beginselenwet Gevangeniswezen,  waarbij het strikt cellulaire stelsel in feite werd afgeschaft. In het Wetboek van Strafrecht kwam te staan dat gevangenisstraf, naar gelang van de persoonlijkheid van de veroordeelde, wordt ondergaan in algehele of beperkte gemeenschap dan wel in afzondering. En die afzondering moest worden gezien als uitzondering. De tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf moest mede dienstbaar worden gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer der gedetineerden in het maatschappelijk leven. Resocialisatie heette dat. Maar de stokoude gevangenissen waren niet ingericht op het uitvoeren van deze verlichte ideeën. De Utrechtse hoogleraar detentierecht Rijk Rijksen, die zich verdiepte in het dagelijks leven van gedetineerden, pleitte ook daarom voor een strafmaximum van zes jaar. Zijn onderzoek in opdracht van het departement van justitie, getiteld Meningen van gedetineerden, werd door dat departement geheim gehouden omdat het te schrijnend was. Trouwens ook het voorarrest, vaak veel te lang in krakkemikkige huizen van bewaring, en de gebrekkige psychopatenzorg lagen onder vuur. In het begin van de jaren zeventig braken er in drie Nederlandse gevangenissen opstanden uit.

Ik schets dat alles om een idee te geven van de tijdgeest.

Niet alleen de vrijheidsstraf, ook de betrekkelijkheid van criminaliteit gaf na de Tweede Wereldoorlog redenen ter overdenking. In 1947 schreef de criminoloog Kempe, met Pompe en Baan behorend tot de Utrechtse school,  over de wetsovertredingen van de verzetsbeweging: vervalsingen, diefstal met braak en geweldpleging, oplichting, gebruikmaking van valse hoedanigheid, verduistering in dienstbetrekking, doodslag, moord met voorbedachten rade. Criminaliteit voor het goede doel. Het was volgens Kempe  niet meer dan begrijpelijk dat de gehele bevolking op den duur weinig eerbied meer had voor de strafwet.  Hongersnood en brandstofgebrek in de laatste oorlogswinter zorgden voor een ongekende omvang van criminaliteit die niet of nauwelijks vervolgd werd. 

Kempe relativeerde in zijn boek Misdaad en Wangedrag de definitie van misdadigheid ook los van de ervaringen  in de bezettingsjaren omdat misdadigheid, zoals hij constateerde, slechts een betrekkelijk gering deel bestrijkt van 'een grote menigte van onmaatschappelijke handelingen'.

Die opvatting is terug te vinden in de conclusies van het eerder genoemde rapport Misdaad en Straf van het Nederlands Gesprek Centrum in 1968. Ik citeer de voornaamste conclusie van dat rapport: 'Slechts een deel van alle onbehoorlijke, schadelijke en onduldbare- dus sociaal-destructieve- gedragingen is strafbaar gesteld door de strafwet. Daarom past het niet te doen alsof alleen zij, die de strafwet geschonden hebben, misdadig zijn en de anderen vrijuit gaan. Ons past een grotere bescheidenheid in het oordeel over onze medemensen die in aanraking met de strafrechter zijn gekomen.'  

Van deze gedachten was ook de Coornhert-Liga doordrenkt. In de eerste alternatieve justitiebegroting, die opriep tot een fundamentele herbezinning op de taken en de werkwijze van het strafrechtelijk systeem, is het woord criminaliteit vervangen door het begrip schadelijk gedrag. En er staat de volgende aanklacht in tegen gevangenisstraf: 'Er is geen grond een kostbaar instituut te handhaven, waarin aan de mens zijn meest fundamentele goed, namelijk zijn fysieke vrijheid, wordt ontnomen, zijn rechten grotendeels worden ingeperkt, zijn privacy nihil is, zijn contacten met zijn eigen leefwereld worden gekapt en onderwerping aan disciplinair recht plaatsvindt. En instituut dat, ondanks een fluwelen evolutie, inhumaan blijft. Temeer omdat in het heersende cultuurpatroon de beleving van vrijheid intenser is geworden en de vrijheidsbeneming dienovereenkomstig zwaarder weegt.'

De beleving van vrijheid, daar ging het vooral de jongeren om vanaf het midden van de jaren zestig. De onmacht van zowel de politie als het Openbaar Ministerie tegenover Provo en Vietnam-demonstranten, die had geleid tot onmachtig gummiknuppelgeweld en belachelijke straffen voor ludieke acties als het uitdelen van krenten, zorgde voor deuken in het rechtsgevoel en de roep om snelle veranderingen in zowel het vervolgingsbeleid als de zogenaamde handhaving van de openbare orde.   

De Coornhert-Liga kwam, ik benadruk het nogmaals, in het begin van de jaren zeventig om zeer veel redenen als geroepen.

Achteraf bleek een congres over straftoemeting in 1969 in Den Haag het startpunt. Het was een initiatief van strafrechtelijke disputen uit Rotterdam en Leiden, die contact hadden gezocht met alle aan andere juridische faculteiten verbonden disputen.  

Het congres richtte zich op de leden van de Rechterlijke Macht, de balie, de functionarissen van reclassering en gevangeniswezen, studenten en wetenschappelijke staf in de rechtsgeleerdheid en sociologie. Het aantal inschrijvers was vele malen groter dan verwacht. In het comité van aanbeveling zaten de hoogleraren stafrecht van alle universiteiten en toenmalige economische hogescholen, die ook vrijwel allemaal aanwezig waren. 

Het belangrijkste onderwerp van het congres was de beantwoording van de vraag of naast de klassieke doeleinden van de straftoemeting (vergelding, generale preventie, speciale preventie) ook bijvoorbeeld gedragsbeïnvloeding en conflictoplossing in aanmerking kwamen. Dat waren de toverwoorden van de belangrijkste inleider, prof. Louk Hulsman uit Rotterdam, een charismatisch man die het boegbeeld zou worden van de Coornhert-Liga. Het congres was zo succesvol dat de organiserende studenten besloten om hun disputen te bundelen en vanuit deze nieuwe club, die al de naam Dirk Volkerstzoon Coornhert kreeg, jaarlijks een congres te organiseren. Dat gebeurde in 1970 en 1971 waarna de Coornhert-Liga die taak overnam. Die Liga is opgericht als een Vereniging voor strafrechtshervorming, waarin de studenten van het eerste uur gingen samenwerken met betrokkenen bij de strafrechtspleging.Wetenschappers, advocaten, rechters, leden van het Openbaar Ministerie, politiemensen, reclasseerders en andere welzijnswerkers, en journalisten en ook- geïnspireerd door soortgelijke organisaties in Scandinavië - gedetineerden en ex-gedetineerden. Omdat die laatste groep uiteraard specifieke belangen had, werd vanuit de Coornhert-Liga een Belangenvereniging Wetsovertreders opgericht (BWO), die later werd omgedoopt in de Bond van Wetsovertreders. Afgesproken werd dat er in het bestuur van de Coornhert-Liga altijd een vertegenwoordiger van de BWO zou zitten. Niet zelden een dwarsligger met een wat ander perspectief. Zeker als zo'n ex-delinkwent opnieuw de bak in moest.

Het was geen toeval dat de actief deelnemende wetenschappers voornamelijk afkomstig waren van de Economische Hogeschool in Rotterdam (de latere Erasmus Universiteit), en het Instituut voor Strafrecht en Criminologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht, het latere Willem Pompe Instituut. Enerzijds de nieuwlichter Hulsman en zijn volgelingen, anderzijds de erfgenamen van de Utrechtse school. Die hadden inmiddels een Nieuwe Utrechtse School  ontwikkeld met als grote inspirator de rechtssocioloog Toon Peters, opgeleid in Leiden maar in de jaren zestig gevormd in Berkeley Californië. Hulsman (hij is nu 84 jaar) en Peters (in 1994 overleden) waren het eens over het falen van het strafrecht, maar hadden tegengestelde opvattingen over de betekenis van dat strafrecht. Peters benadrukte het rechtskarakter van het strafrecht. De strafrechtsjurist had volgens hem een waakhondfunctie. Hij moet de macht controleren en de zwakkere partij beschermen. In zijn oratie, in juni 1972, zei Peters dat het recht niet onpartijdig mocht zijn: 'Het zal aan de kant moeten staan van de machtelozen, de onder gezag gestelden, van hen die het meest in verdrukking dreigen te komen'. Hij stimuleerde jonge juristen om de advocatuur in te gaan ter bescherming van de burger tegen de willekeur van de staat. En hij haalde jonge advocaten, zoals Pieter Herman Bakker Schut en Toes Prakken, ehet instituut binnen, met behoud van hun praktijk. De sociale advocatuur is mede vanuit deze sfeer ontstaan. Het waren ook Utrechtse wetenschappers, Peter Baauw en de latere NRC-commentator Frank Kuitenbrouwer, die in Nederland belangstelling wekten voor het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Hulsman stond veel sceptischer tegenover de positieve functie die het strafrecht zou kunnen vervullen. Hij sloot aan bij de kritische sociologie die het recht zag als instrument van onderdrukking. In de opvatting van Hulsman waren het de gedragswetenschappen die een rol moesten spelen bij de doeleinden van de strafrechtspraak. En in zijn ogen waren die doeleinden gedragsbeïnvloeding (als nieuwe benaming voor zowel generale als speciale preventie) en conflictoplossing (in plaats van vergelding). Hij propageerde het tweefasen-proces. Juristen moesten zich buigen over de schuld, sociologen en psychologen over de straf.

Na enkele jaren zag Hulsman geen heil meer in het strafrecht en ging zich abolitionist noemen. Hij pleitte voor afschaffing van het strafrecht, wat trouwens niet betekende dat hij de daders ongemoeid wilde laten. Hulsman wilde een rechtszitting waarop de dader werd geconfronteerd met het slachtoffer, dat moreel en materiëel schadeloos gesteld moest worden. Hulsman koos dus in feite voor het privaatrecht. De Coornhert-Liga heeft zich nooit voor het abolitionisme uitgesproken.

 

Voortrekkers uit de eerste jaren van de Coornhert Liga vanuit Utrecht waren door Toon Peters beïnvloede jonge wetenschappers of nog studenten, zoals Constantijn Kelk (nu nog altijd hoogleraar strafrecht in Utrecht), Nico Jörg (nu advocaat-generaal bij de Hoge Raad) en de advocaten Peter Baauw en Pieter Herman Bakker Schut. Aan de eerste alternatieve begroting werkte ook Frank Beyaert mee, de latere hoogleraar forensische psychiatrie in Utrecht en geneesheer-directeur van de psychiatrische observatiekliniek, nu het Pieter Baan Centrum, ook een product van de Utrechtse school.

Louk Hulsman bleef een aantal jaren voorzitter van de Verenigingsraad en was de drijvende kracht achter de eerste drie alternatieve justitiebegrotingen. Latere voorzitters van de Coornhert Liga als Manuel Kneepkens, Joyce Hes en Gerard de Jonge waren medewerkers van Hulsman.

 

De doelstellingen van de Coornhert Liga waren:

-het actief streven naar zodanige hervormingen van het Nederlandse stelsel van strafrecht en strafrechtspleging dat

1-de individuele grondrechten en vrijheden optimaal worden gegarandeerd

2-de strafbaarstelling van gedrag en uitoefening van strafrechtelijke bevoegdheden worden beperkt tot de gevallen en de mate waarin de noodzaak daartoe naar rationele maatstaven aannemelijk kan worden gemaakt

3-de doeleinden van dat stelsel, zoals conflictoplossing, voorkoming van strafbaar gesteld gedrag en normering van machtsuitoefening door het recht zo rationeel mogelijk worden vervuld en met name dat de schade, zowel de psychische als de materiële, die dat stelsel toebrengt aan individuele leden en groepen van de samenleving, zoveel mogelijk beperkt wordt.

Door de Coornhert-Liga werd niet de criminaliteit maar de strafrechtspleging aangemerkt als een sociaal probleem van de eerste orde.

De alternatieve begrotingen werden geschreven door werkgroepen, waarin uiteenlopende disciplines vertegenwoordigd waren. Het merendeel van de veelal jeugdige scribenten maakten later carrière. Zij werden hoogleraar, topadvocaat of, zoals Klaas de Vries, minister van Binnenlandse Zaken.   

Naast het uitbrengen van de alternatieve begrotingen bleef de Coornhert Liga congressen organiseren. In 1972 trok het in Leiden gehouden congres met de typerende titel Strafrecht te-recht? (met een vraagteken) grote belangstelling. Er waren zo'n 500 deelnemers. Het ging over decriminalisering en depenalisering, moeilijke woorden voor het schrappen van delicten uit de strafwet en het terugdringen van de straf in het algemeen. Inleider was de op geen enkele congres ontbrekende Louk Hulsman.      

Het lukte niet altijd met die congressen. In 1975 zou in Amsterdam een groot congres over de politie worden gehouden. Met de naam Dag Diender. In de congrescommissie zaten ook enkele jonge politie-inspecteurs en er werden subsidies toegezegd door de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken. Maar op het laatste moment trokken alle hoofdcommissarissen en commissarissen die waren benaderd, zich terug als deelnemer aan de discussies. Zonder opgave van redenen. Het congres werd daarom afgeblazen Achteraf bleek dat het overwegende bezwaar van de politietop de congresvoorzitter gold, de advocaat Pieter Herman Bakker Schut die inmiddels betrokken was geraakt bij de verdediging van de Rote Armee Fraktion in West-Duitsland.

Een congres dat voor veel publiciteit zorgde was het congres Rechtsomlegging in 1979. Rechtsomlegging was de vertaling van het Amerikaanse begrip Diversion dat voornamelijk sloeg op het doorverwijzen van jeugdige wetsovertreders naar hulpverleningsorganisaties, in die dagen ongekend populair in de Verenigde Staten. Het overhevelen van wetsovertreders naar de hulpverlening stuitte overigens in de Coornhert Liga op gemengde gevoelens. Enerzijds ging het om een alternatief voor strafrechtelijke vervolging, anderzijds zou het aantal mensen dat onder staatcontrole kwam, worden vergroot, zoals de Amerikaanse socioloog Stanley Cohen kwam vertellen. Cohen schetste hoe men in de Verenigde Staten  het vertrouwen had verloren in de gevangenis als systeem voor gedragsverbetering. Men wilde daarom, volgens Cohen, op nostalgisch- romantische wijze terug naar de kleine pre-industriële gemeenschap met burenhulp en eigen sociale controle. Maar, zei Cohen, dat lukt natuurlijk niet. De staat moet het doen en de alternatieven voor gevangenisstraf worden zodoende een toevoeging van nieuwe justitiële controle-instituten. De latere Utrechtse hoogleraar Constantijn Kelk vroeg zich in zijn inleiding af waar de rechtswaarborgen blijven als er aan gedwongen hulpverlening geen rechter meer te pas zou komen.

En ook Willem de Haan, medewerker aan het Criminologisch Instituut aan de VU (en tegenwoordig hoogleraar strafrecht in Groningen), die de diversion in de Verenigde Staten had bestudeerd, sprak over een nieuw bewakingsapparaat in de handen van de overheid, een systeem van tweederangs rechtspraak met verlies van een duidelijke rechtspositie.

Er werd op het congres niettemin gepleit voor een politiesepot gevolgd door hulpverlening om jongeren die met de politie in aanraking zijn gekomen, buiten het strafrechtssysteem te houden en verder te helpen. Dat werd later het project HALT. Tijdens het congres verscheen ook het rapport dienstverlening van de commissie alternatieve strafrechtelijke sancties. Ook over dienstverlening, de tegenwoordig zo veelvuldig opgelegde werkstraf, waren de meningen verdeeld. Want daarin schuilde het gevaar dat het aantal onvoorwaardelijke veroordelingen zou toenemen, zonder dat het aantal gevangenisstraffen zou afnemen.

De congressen van de Coornhert-Liga kwamen zelden tot heldere conclusies, maar zorgden wel voor openbare discussie en meningsvorming over onderwerpen die actueel waren in de strafrechtspleging. Zoals in 1982 toen het ging over de toegenomen macht van het Openbaar Ministerie. Het O.M.  - voordien een organisatie van individualistisch werkende officieren van justitie - had zich ontwikkeld tot een beleidsvoerend orgaan, dat steeds vaker zelfstandig zaken afdeed, zonder tussenkomst van de rechter. De nieuwe rol van het O.M. had positieve kanten, zoals de wederzijdse afstemming van vervolgingsbeleid en openbare-orde-handhaving met burgemeesters en politie, het zogenaamde driehoeksoverleg. Het congres had een voorspellende waarde, want nadien werd de toegenomen macht van het O.M. gesymboliseerd door een centraal college van procureurs-generaal, met een super PG aan het hoofd.   

Overigens heeft de Coornhert-Liga na 1982 geen grote tweedaagse congressen meer georganiseerd, wel talrijke symposia en studiedagen over actuele onderwerpen. In het vervaardigen van de alternatieve begrotingen zat de sleet. Na de begrotingen voor 1972, 1973, 1974 en 1976 zijn er nog twee alternatieve justitiebegroting verschenen: voor 1980 en 1984. De alternatieve begrotingen waren trouwens geen echte begrotingen, want het ging niet over geld. Het waren kritische beoordelingen van het strafrechtelijk deel van de echte justitiebegroting, inclusief politie, vreemdelingenbeleid en gevangeniswezen.

In de begroting 1984 concludeerde de Coornhert-Liga dat er op vrijwel alle strafrechtelijke terreinen sprake was van een restauratie van de situatie vóór de jaren zeventig. De bevolking van de gevangenissen was in vijf jaar tijd met een derde toegenomen en binnen tien jaar bijna verdubbeld. Er werd bitter geconstateerd dat het gevangeniswezen meer was gespitst op uitbreiding van het aantal cellen dan op verbetering van de rechtspositie en behandeling van de gedetineerden. Bovendien waarschuwde de Liga voor het wegbezuinigen van de klassieke reclassering. Wat inderdaad gebeurde.

Van de toenmalige minister van justitie, Frits Korthals Altes, verwachtte de Coornhert-Liga geen enkel heil, gezien zijn verleden als commerciëel advocaat bij de omstreden Slavenburg's bank. De Coornhert-Liga waarschuwde voor contacten tussen de politie en de onderwereld -nog niet wetend dat, overigens pas tien jaar later, de IRT-affaire het land op zijn kop zou zetten.

 

Over de onmiskenbare stijging van de criminaliteit repte de Coornhert-Liga niet, hoewel werd geconcludeerd dat een groot deel van de zogenaamde kleine criminaliteit zou verdwijnen door afschaffing van de Opiumwet. Daarbij werd voornamelijk gedacht aan heroïne. Het gebruik van hasj en weed werd immers gedoogd, hoewel dat niet gold voor de handel in soft drugs. Dat had aan het begin de jaren tachtig nog geen echte drugsmaffia als zichtbaar gevolg, de aanjager van de georganiseerde criminaliteit die Nederland nadien langzaam binnensloop.

Overigens werd twee jaar later, in 1985, de relatie tussen drugs en criminaliteit gerelativeerd in het rapport kleine criminaliteit van een commissie onder leiding van het PvdA-kamerlid Hein Roethof. Dat kamerlid had een nauwe relatie met de Coornhert-Liga. In haar aanbevelingen keerde de commissie zich ongemeen fel tegen alcoholmisbruik. Het grootste deel van de kleine criminaliteit zou niet worden gepleegd als gevolg van drugs maar als gevolg van drank. Sinds 1965 was de stijging van vandalisme, vechtpartijen en gelegenheidsinbraken gedurende het weekeinde vooral het gevolg van overmatig alcoholgebruik. De term zinloos geweld bestond toen nog niet.

De commissie-Roethof besteedde veel aandacht aan de samenhang tussen criminaliteitbestrijding en  werkgelegenheidsbeleid en kwam vooral in het nieuws door een pleidooi voor meer conducteurs, parkwachters, huismeesters, concièrges en andere toezichthouders.   

 

Je kan zeggen dat halverwege de jaren tachtig een ommekeer plaatsvond in het denken over misdaad en straf. Dat werd mede veroorzaakt door de alarmerende geluiden in het beleidsplan Samenleving en Criminaliteit van minister Korthals Altes, waarin de georganiseerde criminaliteit als het  grote gevaar werd opgevoerd. Ook de Partij van de Arbeid veranderde van toonzetting over criminaliteit. Men sprak over Nieuw Flinks.

De publieke opinie was gaan schuiven. En dat had ook gevolgen voor de Coornhert Liga, die steeds meer werd gezien als een goedprater van criminaliteit. Daar komt bij dat in het bestuur van die vereniging een tweestrijd ontstond tussen de mensen die waarde bleven hechten aan het lobbyen in de Tweede Kamer en de wat meer radicale leden die aansloten bij de anti-parlementaire stroming van actievoerders. Want de jaren tachtig werden ook beheerst door grootschalig politieoptreden tegen krakers en demonstranten tegen kernenergie. 

Na 1984 verschenen er geen alternatieve justitiebegrotingen  meer, wel gaf de Coornhert Liga in het najaar van 1990 een uitgebreide reactie in brochurevorm op beleidsnota's van Justitie en van het Openbaar Ministerie. Uit enquêtes was gebleken dat de Nederlandse bevolking niet langer de werkloosheid aanwees als het belangrijkste maatschappelijke probleem, maar de criminaliteit. Kritische criminologen kregen het verwijt een te tolerante houding tegenover criminaliteit te hebben gepropageerd. Zij zouden daardoor mede verantwoordelijk zijn voor de stijging van de criminaliteit, zo werd in het beleidsplan van de nieuwe minister Hirsch Ballin en zijn PvdA-staatssecretaris Aad Kosto gesuggereerd.

Het nieuwe modewoord van het kabinet-Lubbers-Kok was normvervaging. Als belangrijke oorzaak van criminaliteit. En er deed zich volgens het beleidsplan Recht in beweging een opmerkelijke verschuiving voor. Van de minderjarigen die met de politie in aanraking kwamen, behoorde inmiddels 25% tot een etnische minderheid. In de gevangenissen was al meer dan 50% van de gedetineerden van niet-Nederlandse afkomst. Dat percentage is trouwens in de jaren negentig en de afgelopen jaren alleen maar gestegen.  

De Coornhert Liga had intussen een keuze gemaakt voor een nieuwe manier van opinievorming. Vanaf 1989 tot en met 1999 verscheen tien maal een Crimineel Jaarboek met een van commentaar voorziene documentatie van het strafrechtelijk beleid. Dat Jaarboek gaf achteraf gezien een zeer gedetailleerd en gedegen beeld van wat zich afspeelde bij politie, justitie en gevangeniswezen. Veel wetenschappelijke onderzoekers, werkzaam bij vrijwel alle universiteiten, verleenden hun medewerking. De sinds 1986 emeritus hoogleraar Louk Hulsman liet in het Crimineel Jaarboek 1988 nog een keer van zich horen. Hij concludeerde dat het onder Korthals Altes ingezette expansieve strafrechtsbeleid door het eerste Paarse kabinet, met Winnie Sorgdrager op Justitie, was voortgezet. Hij bekritiseerde vooral het in zijn ogen steeds meer Amerikaanse en dus repressieve en fundamentalistische drugsbeleid.

Aan het Crimineel Jaarboek kleefde een belangrijk nadeel. Want waren de alternatieve begrotingen bedoeld om invloed uit te oefenen op voorgenomen beleid, het Crimineel Jaarboek keek achteruit, al werden er wel ontwikkelingen gesignaleerd en daartegen gewaarschuwd.

Je kan zeggen dat de Coornhert Liga in de jaren negentig vaak negatief in het nieuws kwam. Bijvoorbeeld in 1993 omdat de Engelsman Alan Reeve, na het uitzitten van zijn gevangenisstraf wegens het doodschieten van een politieagent, in het bestuur van Liga werd benoemd. Bovendien toonde de Coornhert Liga zich een geharnast tegenstander van talrijke zaken die door een meerderheid in de Tweede Kamer en in de publieke opinie juist met instemming werden begroet. Ik doe een keuze: de legitimatieplicht, het Schengen-verdrag, DNA-onderzoek in strafzaken, anonieme getuigen als bewijsmiddel, pepperspray, het TV-programma Opsporing Verzocht, het opsluiten van asielzoekers, Extra Beveiligde Inrichtingen, het bouwen van steeds meer gevangenissen, het opleggen van steeds hogere straffen, twee of meer gedetineerden op een cel, het strenge drugsbeleid, een landelijke recherche, uitbreiding van de opsporingsbevoegdheden, steeds meer cameratoezicht, steeds meer afluisteren van telefoongesprekken, preventief fouilleren enz., enz.

 Vechten tegen de bierkaai, roepen in de woestijn, het zijn geen populaire bezigheden. Dat is een van de redenen geweest dat de bereidheid om actief deel te nemen aan de Coornhert Liga, verminderde.

Er zijn door de mensen van het laatste uur die ik er naar vroeg ook andere redenen genoemd. Te weinig animo om vrijwilligerswerk te doen, waaronder alle verenigingen gingen lijden. De individualisering die ten koste ging van gemeenschapsgevoel. De volle agenda van bijvoorbeeld strafrechtsadvocaten die in de jaren negentig vaak voorzitter en spreekbuis waren geweest. Te weinig weerklank in de politiek en de pers. Nauwelijks belangstelling van studenten voor de ideële doelstellingen van de Coornhert-Liga. Een vak als criminologie was wegbezuinigd bij de universiteiten. Grote en invloedrijke criminologische instituten, als die van Riekent Jongman in Groningen, werden opgeheven. Het criminologische onderzoek werd steeds meer een zaak van de overheid, met een groeiend Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum bij het ministerie van Justitie.   

Het is wel aardig om te vermelden dat de belangstelling voor criminologie de laatste jaren weer is toegenomen bij rechtenstudenten. Vooral bij de Vrije Universiteit in Amsterdam en bij de op dat vakgebied samenwerkende universiteiten van Rotterdam en Leiden is de criminologie weer een belangrijk vak.

Maar anders dan vroeger. Een hoogleraar aan de VU vertelde mij dat veel studenten die voor criminologie kiezen, zijn geïnspireerd door televisieprogramma's als Crime Scene Investigation en soortgelijke series over technische recherche waarin bijvoorbeeld DNA-onderzoek een grote rol speelt. De studenten hopen op die manier als zij-instromers een mooie baan bij de politie te krijgen.

En als je kijkt welke onderwerpen met betrekking tot misdaad en straf nu de meeste aandacht krijgen in media, dan zijn dat zaken als gerechtelijke dwalingen en liquidaties in het maffiamilieu. Inderdaad veel forensisch onderzoek.

Maar de meeste aandacht gaat in deze nieuwe eeuw toch uit naar de politiek en religieus getinte terreurdreigingen. Bloedige aanslagen in de New York, Londen,  Madrid en op Bali, politieke moorden in Nederland. Is dat criminaliteit of heel wat anders? De angst voor terreur heeft in ieder geval geleid tot verdere aanscherping van de strafwet en meer bevoegdheden voor Openbaar Ministerie en politie. Zonder veel discussie. Je hoort er de Coornhert Liga niet over. Want die slaapt.