Nieuwe pagina | Hans Smits journalist | Nieuwe pagina 3 | Nieuwe pagina 4

 

    

 

 

Verhaal over Het Vrije Volk, in café Scheltema verteld op de Dag van de Amsterdamse geschiedenis 6 juni 2010. 

 

Alle voormalige krantengebouwen op de Nieuwezijds Voorburgwal staan er nog: van De Telegraaf, het Algemeen Handelsblad, De Standaard, De Tijd, het koepelgebouw waarin De Volkskrant jarenlang bivakkeerde en het gebouw ertegenover waarin Trouw was gevestigd.

Eén heel groot krantengebouw dat niet aan de Nieuwezijds stond maar er vlak bij, is gesloopt, in 1972. Nadat er op 6 maart 1970 voor het laatst een krant was gemaakt, Het Vrije Volk. Het in socialistisch-realistische stijl opgetrokken gebouw stond sinds 1931 aan het Hekelveld, waar de hoofdingang was en aan het Kattegat, achter de Martelaarsgracht. Op die plek staat nu het Renaissance Hotel, dat eerder Sonesta heette. Het imponerende krantengebouw aan het Hekelveld had als cynische bijnaam De Rode Burcht, maar werd vaker de AP of Hekelveld genoemd, en was eigendom van de NV De Arbeiderspers, voor de oorlog uitgever van Het Volk, De Voorwaarts in Rotterdam, Vooruit in Den Haag en nog enkele zogenoemde volksdagbladen.

Na de oorlog was het de hoofdvestiging van Het Vrije Volk, tot begin van de jaren zestig het grootste dagblad van Nederland en toen ook de partijkrant van de PvdA, met NVV als mede-eigenaar

De AP, gebouwd van de dubbeltjes en kwartjes van de arbeiders, zoals steeds werd benadrukt, was het eerste gebouw van een landelijke krant waarin ik rondwandelde. Dat was in 1961. Het gebouw was nog maar dertig jaar oud. Ik kende daar enkele collega's die in de provincie hadden gewerkt, bij één van de 44 lokale redacties die het Vrije Volk erop nahield.

Van het bestaan van het Vrije Volk wist ik al sinds de jaren veertig. Mijn ouders stemden PvdA maar waren geen lid, wij lazen Het Parool, maar luisterden wel frequent naar de VARA. En dus ook naar het Socialistisch Commentaar, van 1946 tot 1966 het wekelijkse propagandapraatje van Klaas Voskuil, hoofdredacteur van Het Vrije Volk. et

 

Hij begon steevast met een gedragen Luisteraars. Er waren meer Vrije Volkers op de VARA-radio te horen, zoals Gerda Brautigam die haar redacteurschap jarenlang combineerde met het lidmaatschap van de Tweede Kamer. Zij hield voor de PvdA vooral de broodprijs in de gaten.

Gerda Brautigam behoorde net als Voskuil tot de selecte groep Nederlanders met een bekende radiostem, voorlopers van de veel minder selecte groep Nederlanders met een bekend TV-gezicht. Zij deed mee aan het spelletjesprogramma Het Hangt aan de Muur en het Tikt en het radioforum Bij Nader Inzien. Met hoge luisterdichtheid.

Mijn relatie tot Het Vrije Volk is vergelijkbaar met mijn relatie tot de Partij van de Arbeid. Ik volgde die partij al vrij jong op de voet, maar ben nooit lid geweest en heb er nog nooit op gestemd. Zo ben ik ook nooit geabonneerd  geweest op Het Vrije Volk, maar ik wilde wel weten wie er allemaal werkten.

Ik begon in 1955 als leerling-journalist bij het Dagblad Kennemerland in Beverwijk, en ging in de jaren 1956 en 1957 elke zaterdagmiddag naar het Instituut voor Perswetenschap aan de Keizersgracht in Amsterdam. Een verplichte bijscholingscursus voor alle leerling-journalisten in Nederland. En daar ontmoette ik tientallen leeftijdgenoten die leerling-journalist waren bij Het Vrije Volk, juist in die jaren de grootste krant van Nederland met 325.000 lezers en meer dan 200 journalisten. Het Vrije Volk was, als voorloper van de Scholen voor Journalistiek, het eerste en enige opleidingsinstituut, vooral ook om de 44 regionale redacties, waaronder zeer veel éénmansposten, van vers bloed te voorzien.  

Talrijke minderjarigen en twintigers, gelokt door Het Vrije Volk, moesten om het vak te leren keihard werken voor weinig geld.

Eerst op de editieredactie in Amsterdam, vaak in nachtdienst, vervolgens op de regionale redacties in de grotere provinciesteden of de   zogenaamde Eénmansposten in toen soms zeer saaie stadjes. Die  werden ook gebruikt voor strafoverplaatsingen. Geert-Jan Laan die in 1966 naar Delft werd gestuurd omdat hij in Dordrecht een te slordig voetbalverslag had gemaakt, schreef daarover op een site van de NVJ. Hij zou eerst ontslagen worden, maar hij kreeg nog een kans, inclusief een dienstwoning op een zolder boven de AP-boekwinkel. Een eenmanspost betekende dat je in je eentje elke dag een pagina met lokaal nieuws moest vullen. ´Dan verzuipt hij vanzelf wel´, had zijn in Rotterdam zetelende chef gezegd. Ik heb veel verhalen gehoord van Vrije Volkers die zo'n éénmanspost als een slavenbaan of een schrikbeeld hebben ervaren. Dat gold niet voor de meer geroutineerde redacteuren in de regio's die handig samenwerkten met collega's van plaatselijke kranten en met éénlingen van andere landelijke bladen.

In de periode dat ik in de IJmond werkte heb een paar Vrije Volkers op de eenmanspost IJmuiden leren kennen, onder wie Dick Schaap toen vooral bekend omdat zijn twee broers en zuster de populaire band The Sheperds vormden. Ook Harmen Bockma, de latere directeur van de Weekbladpers, kende ik als redacteur in IJmuiden. Verder kwam je uiteraard de redacteuren van het Vrije Volk in Haarlem tegen, en toen ik in 1961 naar de centrale redactie van de Verenigde Noordhollandse Dagblad werd overgeplaatst zag ik bijna dagelijks, in de lunchroom van de HEMA, het drietal van de Alkmaarse redactie. Met één van hen, een leerling-journaliste, ging ik trouwen kort voordat wij verhuisden naar Hoorn waar ik chef van het Dagblad van West-Friesland werd. Het huwelijk was verplicht gesteld door mijn hoofdredacteur. Hokken in Hoorn, dat kon niet goed gaan.

Mijn echtgenote werd al snel in Amsterdam ontboden omdat zij met de concurrentie heulde. Zij kon dus rekenen op een éénmanspost in Emmen of daaromtrent en nam toen, niet zo verstandig, zelf maar ontslag. En dat terwijl zij in 1961 de scheidende Klaas Voskuil  nog had toegezongen in de musical My Fair Daily.

Alle jonge vrouwen die bij Het Vrije Volk waren opgeleid konden vertrekken als zij gingen trouwen. Dat was niet nieuw. Zelfs Gerda Brautigam bleef zonder huwelijk samenwonen om ontslag te voorkomen.

In de jaren dat ik voor lokale dagbladen in Noord-Holland werkte, was Het Vrije Volk maar een heel kleine concurrent in Haarlem en Alkmaar. De echte concurrenten waren de katholieke dagbladen. Zo groot als het Vrije Volk was als landelijke krant, zo kneuterig waren de meeste lokale edities. Vaak ondergebracht in oude gebouwtjes, soms samen met de Esperanto Vereniging en de Blauwe Knoop.

Rotterdam en Arnhem vormden uitzonderingen. Daar had de Arbeiderspers nevenvestigingen, net als in Groningen, met eigen drukkerijen. In Arnhem en vooral in de Rijnmond was Het Vrije Volk een invloedrijk dagblad, in Rotterdam geheel in de vooroorlogse traditie van de Voorwaarts die altijd al sneller en moderner was dan Het Volk. 

In Amsterdam had het Vrije Volk na de jaren vijftig niet veel te betekenen, al zetelden hier de hoofdredactie en gespecialiseerde deelredacties. De editie Amsterdam had te maken met niet minder dan acht in Amsterdam gedrukte concurrenten: Het Parool, De Volkskrant, het Algemeen Handelsblad, Trouw, De Tijd, De Telegraaf (die Het Vrije Volk in 1963 als grootste landelijke krant overvleugelde), het Nieuws van de Dag en niet te vergeten de Amsterdamse arbeiderskrant De Waarheid. 

De redacteuren die in Amsterdam de landelijke rompkrant van het Vrije Volk maakten, kregen in de onstuimige Amsterdamse jaren zestig dan ook nauwelijks respons in hun eigen omgeving, wat tot frustratie leidde. Alleen trouwe PvdA-leden lazen plichtsgetrouw het Vrije Volk, en de PvdA-regenten deden dat zeer kritisch. Want ook toen de formele band tussen PvdA en het Vrije Volk in 1967 doorbroken was, werd er van de krant verwacht in de gemeentelijke politiek loyaal aan de partij te zijn. Het woord regent met betrekking tot PvdA-bestuurders mocht niet in de krant gebruikt worden.    

In 1961 vond ik het spannend om in het indrukwekkende trappenhuis en de lange gangen van het gebouw aan het Hekelveld rond te lopen. Om daar bekende journalisten te zien als  Gerda Brautigam, de eerste quizmaster van Nederland Theo Eerdmans en interessante figuren als chef-buitenland Paul van 't Veer, toneelredacteur Hans van Straten en de tekenaar Hugh Jans. Redacteuren van Het Vrije Volk kon je ook tegenkomen in café's als De Silveren Spiegel, Van Klaveren (nu De Ster) en  Karpershoek.   

In datzelfde jaar 1961 had de redactie van Het Vrije Volk afscheid genomen van Klaas Voskuil, ik noemde het al, met een opvoering van de musical My Fair Daily. Daarin werd ook het lied van de drie Polakken gezongen. Van Voskuil werd verteld dat hij iedere redacteur die hij niet bij naam kende, Polak noemde. Van de drie Polakken kende ik de oergeestige verkeersredacteur Karel Polak al langer, als docent op het Instituut voor Perswetenschap. Hij was nog een veteraan van Het Volk. De twee andere Polakken leerde ik later kennen: sociaal-economisch redacteur Wim Polak, later wethouder, staatssecretaris en burgemeester van Amsterdam en de begadigde stilist en stadsredacteur Nico Polak die als één van de weinige Vrije-Volk-redacteuren vaak hier in Scheltema te vinden was.

Mijn eerste huwelijk, dat mij nader tot Het Vrije Volk had gebracht, eindigde in 1975. Ik had toen inmiddels van 1963 tot 1968 bij Het Parool gewerkt, daarna bij het Algemeen Handelsblad, NRC-Handelsblad en vanaf 1971 bij Vrij Nederland.

Vanaf 1963 kwam ik dus dagelijks in dit café, want Het Parool zat dat jaar nog in het gebouw van De Telegraaf. Ik ontdekte in die jaren zestig hoeveel journalisten ooit bij de Arbeiderspers hadden gewerkt. Simon Carmiggelt schreef al cursiefjes bij de Vooruit in Den Haag, Leo Pam, de chef-buitenland van Het Parool, was vanaf 1927 tot 1940 verslaggever bij Het Volk. Parool-fotograaf Frits Griek kon prachtig kon vertellen over zijn heldendaden in 1933 toen Het Volk en Voorwaarts fel reageerden op de met een bom beëindigde muiterij op de Zeven Provinciën in Nederlands-Indië. Die bladen werden verboden voor militairen, waarna De Arbeiderspers een nieuwe titel begon met de naam De Zeven Provinciën, die vervolgens ook werd verboden. Griek, die bij de aankomst van de kruiser in Den Helder aanwezig was, liet zich, naar zijn zeggen, op slinkse wijze vervoeren in dezelfde auto waarmee de minister van Oorlog Deckers  de Helderse marinehaven verliet.

Parool-coryfeeën Henri Knap en Klaas Peereboom waren na de oorlog eerst bij Het Vrije Volk begonnen. Jacques van Veen, de fameuze rechtbankverslaggever van Het Parool was zonder afscheid bij Vrije Volk weggegaan. 'Ze namen mij hoogst kwalijk dat ik naar Het Parool ging, ze hadden nog liever gezien dat ik naar De Telegraaf was overgestapt', vertelde hij in zijn laatste interview. Wout Woltz, later hoofdredacteur  van  NRC-Handelsblad, ging van het Vrije Volk naar het Algemeen Handelsblad. En bij Vrij Nederland waren Martin van Amerongen op de Friese redactie, Igor Cornelissen op de éénmanspost Deventer en Martin Koomen op de redactiebibliotheek ooit bij het Vrije Volk begonnen.

Veel Vrije Volkers verlieten de journalistiek voor andere bezigheden. Willem Duys, Pierre Janssen, Ton van Duinhoven, Jaap van der Merwe en de wetenschappers  Lucas van der Land, Hans Daudt en Richter Roegholt zijn bij Het Vrije Volk begonnen. En behalve Wim Polak werden nog enkele redacteuren wethouder en/of burgemeester. Parlementair redacteur Maarten Vrolijk bracht het tot minister van CRM en daarna commissaris van de koningin in Zuid-Holland.

 

Het Volk was in 1900, als stem van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij SDAP,  begonnen in een dropfabriek aan de Geldersekade en verhuisde later naar de Keizersgracht. Als eerste hoofdredacteur trad Jelle Troelstra op, de voorman van de SDAP. Hij had ook de naam bedacht. In de vergaderzaal van het Vrije Volk aan het Hekelveld stond, tot het einde toe, zijn borstbeeld.

Tijdens de Duitse bezetting was de Arbeiderspers, met alle dagbladen, net als de VARA en het NVV, geheel en al ondergeschikt gemaakt aan de Nederlandse nazi Rost van Tonningen en dus aan de bezetters. De kranten bleven verschijnen. De abonnees liepen voor het grootste deel weg.

Na de oorlog herrees de krant als Het Vrije Volk, eerst nog als partijkrant van de SDAP met op 31 december 1945 een topoplage van bijna 360.000 abonnees, en vanaf 1946 als het eigen dagblad van de toen opgerichte Partij van de Arbeid, met jarenlang Klaas Voskuil als hoofdredacteur. Die stuurde zijn hoofdartikelen, voorafgaande aan publicatie, per koerier naar zijn vriend Willem Drees, PvdA-voorman en van 1948 tot 1958 minister-president. Want Het Vrije Volk en de PvdA moesten gelijkgestemd zijn als het ging om politieke meningen.

Zoals Het Volk en Voorwaarts altijd oppositiekranten zijn geweest, zo was Het Vrije Volk tot de val van het laatste kabinet-Drees eind 1958, een pure regeringskrant. Dus ook een krant die pal stond achter de politionele acties in Indonesië, tot verdriet van veel jongere redacteuren.

Onveranderd was na de oorlog de Rode Familie waartoe de Arbeiderspers behoorde, inclusief de boekenuitgeverij en de veertien eigen boekwinkels. Eén pot nat met de PvdA, de VARA, het Nederlands Verbond van Vakverenigingen NVV, De Arbeiders Jeugd Centrale AJC, de Centrale Levensverzekeringsbank, het Instituut voor Arbeidersontwikkeling, het grootwinkelbedrijf de Coöperatie en tot 1971 ook Vrij Nederland.

In de bloeitijd van de Arbeiderspers, met de voormalige bakkersknecht Herman van Kuilenburg als dynamisch directeur, was de bezorger van de Arbeiderspers het gezicht van Rode Familie. De bezorgers brachten niet alleen Het Vrije Volk en de VARA-gids rond, maar inde ook aan de deur het abonnementsgeld en de contributie. En zij colporteerden met de AP-boeken, waaronder de  dikke omnibussen met verzameld werk van A.M.de Jong, Herman de Man en andere socialistisch-verantwoorde schrijvers.

In het boek De val van de Rode Burcht, geschreven door drie toenmalige redacteuren van Vrij Nederland (Gerard Mulder, Hugo Arlman en Ursula den Tex) is goed uitgelegd waarom de grootste krant van Nederland in de jaren zestig in snel tempo een armlastig blaadje werd. Wie er allemaal in de Rode Familie aan de touwtjes van de krant trokken, welke plannen er werden gesmeed om het sociaal-democratisch erfgoed te behouden en wie er tenslotte met de miljoenen van de Arbeiderspers vandoor zijn gegaan voordat Dagbladunie en Perscombinatie eigenaar werden van Het Vrije Volk. 

Een poging in 1960 om via het Algemeen Ochtendblad de Telegraaf te dwarsbomen mislukte dramatisch.

Uiteraard leverde het Vrije Volk in de loop der jaren ook veel journalisten aan de actualiteitenrubrieken van VARA-radio en later aan Achter het Nieuws van de VARA-televisie. Denk maar aan de chefs Hans Jacobs en Herman Wigbold. De laatste keerde in 1970 weer terug naar het Vrije Volk, als hoofdredacteur van de krant die zich in de Rijnmond had teruggetrokken. Hoewel er na de ontmanteling van het Hekelveld enkele tientallen Vrije Volk-redacteuren aan de dijk waren gezet, probeerde Wigbold nieuwe mensen te werven. Zijn credo was: Wie durft er nu nog bij het Vrije Volk te werken. Hij belde ook mij enkele malen op met het aanbod chef nieuwsdienst te worden, wat ik bij het Algemeen Handelsblad was geweest. Misschien was ik de zoveelste die hij belde. Kort tevoren had ik hemel en aarde bewogen om na de fusie van NRC en Handelsblad in Amsterdam te mogen blijven. Dat lukte wonderwel. Dus Rotterdam zag ik in het geheel niet zitten. In 1971 werd ik redacteur van Vrij Nederland. Dat weekblad werd tot 1971 nog gezet bij de Arbeiderspers, vanaf augustus 1970 zat de redactie er zelfs permanent wegens een brand in het eigen redactielokaal aan de Raamgracht. 'Als holenmensen in een te grote spelonk', zo typeerde hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse dat verblijf in een verder verlaten gebouw.

Karel Polak was na 1970 één van de ongeveer twintig overgebleven redacteuren in het  spookachtig-lege krantengebouw, want er bleef nog korte tijd een editie Amsterdam bestaan die in Rotterdam werd gedrukt. Polak riep zo nu en dan in het trappenhuis  Is er nog een abonnee, de echo antwoordde Nee.

 

Nadat de De Weekbladpers zich had losgemaakt van De Arbeiderspers, werd de vervaardiging van VN verplaatst naar Aalsmeer bij een drukkerijtje waarvan het personeel was uitgebreid met oude en vertrouwde zetters en opmakers van het Vrije Volk, die de antiquarische loodzetmachines en ander materieel hadden meegenomen.

Het Vrije Volk zou nog ruim twintig jaar blijven bestaan, vrijwel onopgemerkt in Amsterdam. In 1984 werd gestart met een commercieel samenwerkingsverband met het Rotterdams Nieuwsblad van de Sijthoffpers. In  1990 werd besloten tot een fusie. Op 30 maart 1991 werd het laatste nummer gemaakt van Het Vrije Volk, dat intussen de rode steunkleur had verruild voor een groene. De volgende dag verscheen de fusiekrant Rotterdams Dagblad, dat inmiddels een regionale editie is geworden van het Algemeen Dagblad.

In het boek En niet vergeten, herinneringen aan Het Vrije Volk, in 1991 door Ben Maandag sr. en Rien Robijns samengesteld na het definitieve verdwijnen van de krant, komt ook Thijs van Veen aan het woord, de laatste hoofdredacteur die door het congres van de PvdA was benoemd. Hij was inmiddels afgezwaaid als hoogleraar strafrecht in Groningen. Van Veen  had indertijd weinig bezwaar tegen de formele band met de Partij van de Arbeid. Volgens hem had geen enkel orgaan van de PvdA of het NVV zich ooit bemoeid met de hoofdredactie. Maar dat de hoofdredactie zich in haar beleid verbonden voelde met de PvdA en de fracties in de gemeente- en provinciale raden sprak volgens hem vanzelf. Men trok dezelfde wagen en er waren veel vriendschappelijke contacten. De lezers mochten ook verwachten dat de in de krant uitgesproken standpunten niet vreemd waren aan opvattingen die binnen de PvdA leefden.

Van Veen vergat te vermelden dat hij zelf begin jaren zeventig was overgestapt naar DS'70.

In hetzelfde boek, een bundeling van oorspronkelijke artikelen en beschouwingen achteraf, schreef Martin van Amerongen: Het Vrije Volk wordt – of beter gezegd werd- gelezen door mensen die nog in de veronderstelling verkeren dat het land wordt bestuurd door Willem Drees sr.

Zijn harde conclusie: Het is volkomen onmogelijk een behoorlijke krant te maken als je daarbij dag-in-dag-uit door de lokale partijsecretaris op de vingers wordt gekeken.

 

Herinneringen

 

 

Ik koester de herinnering aan het Instituut voor Perswetenschap aan de Keizersgracht 604, het zogeheten Huis van de Pers. In dat pand, uit 1668, was vanaf de bevrijding tot 1949 het weekblad Vrij Nederland gevestigd. Het Instituut voor Perswetenschap, inclusief de Nederlandse Persbibliotheek,  werd in dat jaar gesticht door prof.dr.Kurt Baschwitz die in 1948 een leerstoel Pers, Propaganda en Openbare Mening kreeg aan de Gemeentelijke Universiteit, nu Universiteit van Amsterdam. Baschwitz, die in 1933 vanuit Nazi-Duitsland naar Nederland vluchtte, schreef het standaardwerk De Krant door Alle Tijden, en werd in 1957 opgevolgd door prof.mr.dr.Maarten Rooij, oud-hoofdredacteur van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Ik heb in de periode 1956-1958 les gehad van zowel Baschwitz (persgeschiedenis) als Rooij (ethiek van de pers). Als student-assistent fungeerde de latere hoogleraar Hans Daudt, die eerder b ij Het Vrije Volk werkte.

Het Instituut van Perswetenschap was voorloper van de eerste School voor Journalistiek in Utrecht. Bij de dagbladen bestond nog een leerlingensysteem, wat inhield dat je als aankomend journalist na de HBS of gymnasium drie jaar lang (universitair afgestudeerden twee jaar lang) leerling-journalist bleef met een verplichte cursus aan de Instituut voor Perswetenschap. Elke zaterdag trokken alle leerling-journalisten uit Nederland naar de Amsterdamse Keizersgracht voor colleges van hoogleraren en vakjournalisten. Het boeiendst waren de colleges van prof. Jacques Presser, die internationale geschiedenis doceerde, het meest irritant de verhaaltjes van de ijdele Henri Knap, de landelijke bekende dagboekenier van Het Parool die de docent was voor praktische journalistiek. Je kreeg praktijkopdrachten zoals het maken van een persklaar verslag en een interview met iemand die je ergens in de stad kon treffen. Ik moest de journalist-filmer Jan Vrijman interviewen in zijn autootje aan het Mercatorplein.

Je moest ook een scriptie maken voor het vak Persgeschiedenis dat op inhoud werd beoordeeld door Baschwitz en op stijl door Knap.

Ik werkte toen, als leerling, bij het Dagblad Kennemerland in Beverwijk waar ik in op 1 augustus 1955 begon. Mijn scriptie ging over de geschiedenis van die in 1873 opgerichte krant. Van Baschwitz kreeg ik een 8, van Knap een 7-. Het aardige was dat ik ontdekte wie de belangrijkste medewerker was in de eerste jaren van toen nog het weekblad Kennemerland. Dat was Domela Nieuwenhuis, die latere oprichter van de Sociaal-Democratische Bond en de eerste socialist in de Tweede Kamer. Domela Nieuwenhuis was van 1871 tot 1875 Evangelisch Luthers predikant in Beverwijk. Hij schreef onder de naam Verax binnen- en buitenlandse weekoverzichten. En dat was heel opmerkelijk voor een nieuws- en advertentieblad in een betrekkelijk klein stadje. Nog opmerkelijker was de anti-papistische toonzetting van Domela Nieuwenhuis, niet alleen als hij het Vaticaan hekelde, maar ook bijvoorbeeld in zijn commentaar op het aantreden van Abraham Kuyper als voorzitter van de Anti-Revolutionaire Partij. Hij voorzag in de Tweede Kamer een bondgenootschap tussen gereformeerden en katholieken en schreef: de weg van Kuyper leidt naar Rome. En dan te bedenken dat de grote meerderheid van de Beverwijkse bevolking toen nog rooms-katholiek was. Dat veranderde pas na de vestiging van de Hoogovens in Velsen-Noord, in 1920.

Onder leiding van Domela Nieuwenhuis en de apotheker/wethouder Mijsberg, die het weekblad Kennemerland had opgericht, werden er ook acties ondernomen vóór een betere zondagsviering en tégen het alcoholisme van de arbeiders. Bij het vertrek van Domela Nieuwenhuis naar Den Haag in 1875 schreef Mijsberg: 'Wij wensen hem kracht toe in de strijd, die hij zal blijven strijden voor waarheid en voor recht, voor plicht, humaniteit'. Drie jaar later nam hij ontslag als predikant om zich geheel aan het socialisme te wijden.

 

In de jaren (1955-1958) dat ik bij Dagblad Kennemerland in Beverwijk werkte, met een klein verschijningsgebied, dat ook Velsen-Noord, Wijk aan Zee, Heemskerk, Castricum en Uitgeest omvatte, was er een katholieke concurrent: het Kennemer Dagblad, kopblad van de Nieuwe Haarlemse Courant, die weer een ondergeschoven kind was van het katholieke dagblad De Tijd.

Wij waren er trots op dat Dagblad Kennemerland meer katholieke lezers telde  dan de gehele oplage van het Kennemer Dagblad. Alleen in het toen nog streng-katholieke tuindersdorp Heemskerk kregen wij geen poot aan de grond.

 

Dagblad Kennemerland was onderdeel van de Verenigde Noordhollandse Dagbladen met een centrale redactie in Alkmaar, waar ik werkte van 1960 tot 1962. De Alkmaarsche Courant van 1799 had de oudste rechten, daarna volgde de Schager Courant van 1857, de Enkhuizer Courant van 1870, Dagblad Kennemerland van 1873, de Helderse Courant, opgericht als 't Vliegend Blaadje in 1873, de Zaanlander van 1886 en het Dagblad voor West-Friesland van 1918.

 

Van het Dagblad voor West-Friesland, waarvan de rayonredactie zetelde in Hoorn, ben ik nog twee jaar redactiechef geweest. In 1962 en 1963. Ook in West-Friesland was een katholieke krant de concurrent: het Noordhollands Dagblad, dat was gevestigd in Hoorn. Daar werd toen ook nog Ons Noorden gedrukt, een katholiek dagblad voor Noord-Nederland, dat in 1964 is opgeheven. In West-Friesland waren veel overheersend katholieke dorpen waar men vrijwel alleen het Noordhollands Dagblad las. Het Dagblad voor West-Friesland had het monopolie in de protestantse en vrijzinnige dorpen. En dat dan binnen de met Enkhuizer Courant, Schager Courant en Alkmaarsche Courant afgebakende verschijningsgrenzen.

 

Voor de oorlog waren al deze Noordhollandse kranten zelfstandig. Een samenwerking van Kennemerland  met de Zaanlander werd in 1941 vrijwillig aangegaan. Door van de pers in Koog aan de Zaan gebruik te maken kon Kennemerland dagblad worden. Daarna werden, trouwens overal in Nederland, de lokale bladen gedwongen tot fusies. In 1942 ontstond uit Dagblad Kennemerland en De Zaanlander het Dagblad voor Noord-Holland, waarbij een jaar later de Alkmaarsche Courant, het Dagblad voor West-Friesland en het Dagblad voor Noordhollands Noorderkwartier (eerder onstaan uit een fusie tussen Schager Courant en Helderse Courant) zich moesten aansluiten. Met een gecentraliseerde redactie en een drukkerij in Alkmaar.

Na de bevrijding en de perszuivering mocht aanvankelijk alleen de Helderse Courant herverschijnen. De andere edities, nu weer met hun afzonderlijke titels, mochten pas weer in september 1946 worden gemaakt. Want zij waren min of meer als fout bestempeld.

Er was inmiddels zware concurrentie van de Vrije Pers, een combinatie van oud-illegale bladen, de Kennemer Koerier in Beverwijk, de Vrije Alkmaarder, de Vrije Hoornsche Courant en de Nieuwe Schager Courant.

De vooroorlogse kranten richtten in 1946 de Verenigde Noordhollandse Dagbladen op, in feite een voortzetting van de situatie in de oorlogsjaren. De voormalige verzetsbladen gingen drukken op de 'foute' persen en waren al in 1947 door geldgebrek gedwongen op te gaan in de gehate krantencombinatie.

Ex-illegalen, die in Alkmaar of op een rayonkantoor een baan kregen, moesten tot hun verdriet samenwerken met mensen die zeer vriendschappelijk met de bezetters en hun handlangers van de NSB waren omgegaan. Die spanningen waren in mijn tijd nog altijd voelbaar. In Hoorn werkte. Eén van de drijvende krachten achter de Vrije Hoornsche Courant werd advertentieverkoper voor het Dagblad voor West-Friesland. Hij haatte de directeur-eigenaar, Butter genaamd, die ook de drukkerij en uitgeverij West-Friesland in bezit had. Butter was door de perszuivering voor tien jaar uitgesloten wegens collaboratie. Hij was begin jaren zestig al een oude grijze maar zeer autoritaire man. Hij woonde, met zijn twee dochters en schoonzoons, boven zijn drukkerij. In datzelfde gebouw was ook de redactie van het Dagblad voor West-Friesland gevestigd, waarvan ik als 24-jarige, chef was. Soms kwam hij op zijn sloffen naar beneden om mij een kattebelletje te brengen waarop stond dat een kleinzoon derde was geworden bij een schaatswedstrijd. Dat zette ik niet in de krant en hij was woedend.

Maar hij ontplofte pas echt toen hij merkte dat ik bezoek kreeg van PvdA-wethouder Wim Wiese die mij heel geheimzinnig een rapport kwam brengen. Een primeur. Dezelfde Wiese had als leider van de Waarheid-verzetsgroep deze Butter op 5 mei 1945 eigenhandig in de kraag gepakt en naar de krententuin, gevangenis in Hoorn, gebracht. 'Het wordt hier een rood nest', bulderde Butter tegen mij. 

 

In 1953 had de tot dan toe zelfstandige Enkhuizer Courant zich bij de Verenigde Noordhollandse Dagbladen gevoegd en in 1980 werd het katholieke Noordhollands Dagblad uit Hoorn opgeslokt. De zeven dagbladen kregen toen als onderkop Noordhollands Dagblad.

 

Voor het vervolg van deze geschiedenis moet ik helemaal terug naar Abraham Castelein, die in 1656 de Weekckelijcke Courant van Europa begon als voorloper van de beroemde Oprechte Haarlemsche Courant. In 1883 kreeg Haarlem nog een dagblad, het Haarlems Dagblad dat in 1932 de IJmuider Courant overnam, nog bestaand als kopblad. De Oprechte Haarlemse Courant, toen uitgegeven door drukkerij Enschedé (later bekend van bankbiljetten en paspoorten), en het Haarlems Dagblad werden in 1942 door de Duitse bezetter verplicht tot een fusie waarbij Haarlems Dagblad jammer genoeg de hoofdtitel werd en Oprechte Haarlemsche Courant de ondertitel. De uitgeverij kreeg de naam Damiate, die in 1969 het enige nog overgebleven oud-illegale dagblad in Noord-Holland overnam, De Typhoon in Zaandam, dat altijd groter en linkser was geweest dan De Zaanlander. Ook de Nieuwe Noordhollandse Courant uit Purmerend en de Noord-Amsterdammer werden door Damiate opgekocht. In 1980 volgde het Leids Dagblad en in 1992 fuseerden de Verenigde Noordhollandse Dagbladen en Damiate, die inmiddels voor een groot deel in handen van Holding De Telegraaf waren beland, tot Hollandse Dagbladcombinatie (HDC).

Da leidde tot twee nieuwe titels in Noord-Holland boven het Noordzeekanaal: Dagblad Zaanstreek (in plaats van de Zaanlander en De Typhoon) en Dagblad Waterland (in plaats van de Nieuwe Noordhollandse Courant en de Noord-Amsterdammer). Inmiddels heten alle kranten boven het kanaal nu Noordhollands Dagblad, de oorspronkelijke titels zijn ondertitels geworden. Ik vind het jammer dat steeds meer plaatselijke titels verdwijnen. En ik ben blij dat er op Texel nog steeds een onafhankelijk nieuwsblad verschijnt, de Texelse Courant. Niet in handen van De Telegraaf.

Vanaf 1993 was De Telegraaf de enige aandeelhouder van de Hollandse Dagblad Combinatie en in 1997 werd ook De Gooi- en Eemlander overgenomen. Na een reorganisatie, waarbij alle uitgeverijen werden samengevoegd en redacties gecentraliseerd, werd de naam van de uitgeverij HDC Media.

 

In 1963 ging ik naar Het Parool, een grote stap van Hoorn naar Amsterdam. De redactie zat toen nog in het gebouw van De Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal en Het Parool werd ook gedrukt op de persen van die krant.Het was een bizarre situatie. De redacteuren van Het Parool, van wie velen een verzetsverleden hadden of heel bewust waren gaan werken bij een krant die uit het verzet voortkwam, beschouwden hun collega's van De Telegraaf als uitschot, want zij werkten bij een krant die in hun ogen erg fout was geweest tijdens de Duitse bezetting. Zo was de etage, waar Het Parool tijdelijk was ondergebracht, verhuurd geweest aan de redactie van Die Deutsche Zeitung in den Niederlanden. Omgekeerd zagen de Telegraaf-redacteuren ons als een roversbende, want Het Parool zou er, samen met Trouw, op uit zijn geweest De Telegraaf voor altijd te verbieden en het bedrijf over te nemen.De journalisten van beide kranten wisselden geen woord en keerden elkaar in de lift de rug toe.

Het Parool bleef na de oorlog onafhankelijk, maar wel sociaal-democratisch. Het verscheen behalve in Amsterdam (als landelijke krant) ook regionaal met de nevenedities Rotterdams Parool, Nieuw Utrechts Dagblad,  Haags Dagblad en het Dagblad van Amersfoort en De Veluwe. De laatste twee kranten werden in 1964 opgeheven, een jaar nadat Het Parool was verdwenen uit het Telegraafgebouw en een nieuw gebouw met eigen drukkerij had betrokken aan de Wibautstraat. Ruim een half jaar na mijn start bij Het Parool, moest ik de Nieuwezijds weer verlaten. Een groot deel van de redactie treurde ondanks het eigen gebouw, omdat de Amsterdamse Stalin-Allee voor ons gevoel ver buiten de stad lag en geen greintje sfeer had. Het café Hesp aan de Weesterzijde nam pas later de functie van café Scheltema over.

In 1971 werden het Rotterdams Parool en de neveneditie De Schiedammer opgeheven, in 1976 werd het Nieuw Utrechts Dagblad een editie van Het Parool en het verdween in 1982.

Ik was inmiddels in 1968 naar het Algemeen Handelsblad overgestapt, lekker weer terug op de Nieuwezijds Voorburgwal, pal naast café Scheltema. Twee jaar later was ik nauw betrokken bij de fusie tussen het Algemeen Handelsblad en de Nieuwe Rotterdamsche Courant, die al een gezamenlijke Haagse redactie en gezamenlijke buitenlandse correspondenten hadden. Als chef nieuwsdienst van het Algemeen Handelsblad moest ik meedenken en vergaderen over de samenstelling van de nieuwe redactie, waarvan wij van het Handelsblad vonden dat die redactie eigenlijk alleen maar in Amsterdam gevestigd kon worden.

Het pakte anders uit, want Pluygers, de hoogste baas van de Nederlandse Dagbladunie (toen eigenaar van Handelsblad, NRC en Algemeen Dagblad), had niets met Amsterdam en Amsterdammers. Hij wilde ook onze hoofdredacteur Henk Hofland opzijschuiven, maar de redactiecommissie van het Algemeen Handelsblad, waarvan ik deel uitmaakte, stuurde een telegram naar de Raad van Commissarissen, in vergadering bijeen, met de mededeling dat wij niet wilden meewerken aan een fusie, als Hofland geen lid zou worden van de nieuwe hoofdredactie. De welbespraakte chef van de kunstredactie,  Bert Poll was voorzitter van de redactiecommissie en ook Martin Schouten was een strijdbaar lid.

De fusiekrant begon inderdaad met vier hoofdredacteuren, Stempels, Heldring en André Spoor in Rotterdam, Henk Hofland in Amsterdam, waar een klein deel van de redactie achterbleef. Hofland werd -zoals hij zelf zei- hoofdconducteur van de bijwagen. Tot hij, na een onschuldig incident, alsnog door Pluygers werd ontheven van zijn functie als hoofdredacteur.

Nog twee jaar lang bleef er een Amsterdamse editie bestaan met als titel Handelsblad-NRC, maar toen werd het definitief NRC-Handelsblad. In diezelfde periode was ik ook secretaris van de Amsterdamse Pers, die zich tevergeefs verzette tegen fusies, overnames en andere verschralingen in de krantenwereld. Jan Rogier, redacteur van Vrij Nederland, was voorzitter. De andere leden waren Harry Lockefeer en Lidy van Marissing van de Volkskrant, Rudie van Meurs van Trouw, Peter van Bueren van De Tijd en Andor Kircz van Het Parool. De in de ogen van het NVJ-bestuur veel te radikalistische Amsterdamse Pers heeft er voor gezorgd dat de inspraak van de redacties in het redactiestuut, waarover in die tijd werd onderhandeld tussen NVJ en NDP, zo veel mogelijk werd aangescherpt.

In 1971 ging ik naar Vrij Nederland, waar ik bijna dertig jaar werkte. Tien jaar later kwam ik voor het eerst weer in het Parool-gebouw aan de Wibautstraat, waar Vrij Nederland gedurende enkele jaren op maandag en dinsdag werd vervaardigd, nadat wij afscheid hadden genomen van de oude zetterij in Aalsmeer, een dochter van de Arbeiderspers. Trouwens ook Vrij Nederland was aanvankelijk een dochter van de Arbeiderspers en werd aanvankelijk gedrukt op de persen van Het Vrije Volk. De redactie van VN nam het initiatief om uit de Arbeiderspers te treden en een zelfstandige uitgeverij, de Weekbladpers, te stichten. Met Het Vrije Volk, toen nog de partijkrant van de Partij van de Arbeid voelden de redacteuren van Vrije Nederland geen enkele verwantschap. Ik kende wel veel VrijeVolk-redacteuren omdat ik toen nog gehuwd was met een voormalige leerling-verslaggeefster van de PvdA-krant, die overigens werd ontslagen toen wij trouwden. Dat was gebruik bij Het Vrije Volk. Zij namen veel ambitieuze meiden in dienst, maar gehuwde dames wilden zij niet. Trouwens toen ik in 1968 bij het Algemeen Handelsblad kwam, werkte daar nog geen enkele vrouw. En eerder bij Het Parool waren Jeanne Roos en Wim Hora Adema aanvankelijk de enige vrouwen.

In de nadagen van Het Vrije Volk op het Hekelveld in Amsterdam heb ik nog de laatste aanwezige redacteuren geïnterviewd met een cameraploeg van de VPRO. Hier en daar waren er al muren weggebroken, het was een treurige omgeving. Die interviews zijn nooit uitgezonden omdat de VPRO de aanvankelijke opzet Namens een journalist (dat was een serie over beroepen) veranderde in Namens een lezer. 

Mijn connecties met collega's van andere kranten waren collegiaal en vaak ook het directe gevolg van mijn functie in de Amsterdamse Pers, die in de jaren zeventig in de Brakke Grond massaal bezochte actievergaderingen hield. Van het bedreigde dagblad De Tijd en de naar links koersende Volkskrant kwamen vaak de voltallige redacties naar die vergaderingen. Voor De Tijd, het Algemeen Handelsblad en Het Vrije Volk mocht het niet baten.

 

Lezing voor lezers van Het Financieele Dagblad op 11 maart 2005 (geactualiseerd in maart 2017)

 

Amsterdam is al vierhonderd jaar het perscentrum van Nederland, en ook het meest gezaghebbende dagblad van Nederland (NRC-Handelsblad) is uiteindelijk vanuit Rotterdam in Amstderdam neergestreken. Ik ben zelf, in 1970, betrokken geweest bij de fusie tussen het aloude Amsterdamse Algemeen Handelsblad en de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Als chef nieuwsdienst van het Algemeen Handelsblad moest ik meevergaderen over de samenstelling van de nieuwe redactie, waarvan wij van het Handelsblad vonden dat die redactie eigenlijk alleen maar in Amsterdam gevestigd kon worden.

Het pakte anders uit, want Pluygers, de hoogste baas van de Nederlandse Dagbladunie (toen eigenaar van Handelsblad, NRC en Algemeen Dagblad), had niets met Amsterdam en Amsterdammers. Hij wilde ook onze hoofdredacteur Henk Hofland opzijschuiven, maar de redactiecommissie van het Algemeen Handelsblad, waarvan ik deel uitmaakte, stuurde een telegram naar de Raad van Commissarissen, in vergadering bijeen, met de mededeling dat wij niet wilden meewerken aan een fusie, als Hofland geen lid zou worden van de nieuwe hoofdredactie.

De fusiekrant begon dan ook met vier hoofdredacteuren, drie in Rotterdam -en Hofland in Amsterdam, waar een klein deel van de redactie achterbleef. Hij werd -zoals hij zelf zei- hoofdconducteur van de bijwagen. Tot hij alsnog door Pluygers werd ontheven van zijn functie als hoofdredacteur.

Nog twee jaar lang bleef er een Amsterdamse editie bestaan met als titel Handelsblad-NRC, maar toen werd het definitief NRC-Handelsblad. In diezelfde periode was ik ook secretaris van de Amsterdamse Pers, die zich tevergeefs verzette tegen fusies, overnames en andere verschralingen in de krantenwereld. Die persconcentratie, zoals dat toen werd genoemd, is tot op heden nog steeds gaande. Zowel kort vóór als kort na de oorlog kende Nederland nog zo'n honderd dagbladtitels, dat zijn er nu aanmerkelijk minder.

Vroeger was er in elke stad en in elke provincie hevige concurrentie tussen de dagbladen. Wat de alertheid van de redacties bevorderde. Nu worden de  provinciale of lokale kranten verspreid binnen afgebakende gebieden. De uitgevers bepalen welke krant er in welke streek gelezen kan worden. In de grote steden en in de provincies is er geen of nauwelijks een keuze mogelijk. Zo is er nog maar één krant voor Groningen en Drenthe samen, het Dagblad van het Noorden. Behalve Noord- en Zuid-Holland hebben alle provincies, nog maar één of hooguit twee kranten. Afgezien van Flevoland dat geen éigen'krant heeft. En er zijn eigenlijk nog maar vier echte stedelijke kranten: Het Rotterdams Dagblad, de Haagsche Courant, het Utrechts Nieuwsblad en in Amsterdam Het Parool.

Ik kwam, na bij lokale kranten in Noord-Holland te hebben gewerkt, in 1963 als verslaggever bij Het Parool, in die jaren beschouwd als het beste en meest invloedrijke landelijk dagblad. (met coryfeeën als Simon Carmiggelt en Annie M.G.Schmidt) Het Parool was toen nog gevestigd op een etage van het Telegraaf-gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal, de Nederlandse Fleetstreet, omdat daar net als in de echte Fleetstreet in de Londense City, vrijwel alle landelijke dagbladen waren gesitueerd. Het was een bizarre situatie. De redacteuren van Het Parool, een krant die voortkwam uit het verzet, beschouwden hun collega's van De Telegraaf als uitschot, want zij werkten bij een krant die in hun ogen erg fout was tijdens de Duitse bezetting. Zo was de etage, waar Het Parool tijdelijk was ondergebracht, verhuurd geweest aan de redactie van Die Deutsche Zeitung in den Niederlanden. Omgekeerd beschouwden de Telegraaf-redacteuren ons als een roversbende, want Het Parool zou er, samen met Trouw, op uit zijn geweest De Telegraaf voor altijd te verbieden en het bedrijf over te nemen.De journalisten van beide kranten wisselden geen woord en keerden elkaar in de lift de rug toe.

 

Ik schets nu even het krantenwereldje op de Nieuwezijds Voorburgwal in de jaren vijftig en begin jaren zestig. De Telegraaf, al in 1963 de grootste krant van Nederland (na een verschijningsverbod tot 1949) en de Courant/Nieuws van de Dag als goedkope editie van De Telegraaf en tot 1963 ook nog Het Parool zaten in het Telegraaf-gebouw. De Volkskrant maakte gebruik van het koepelgebouwtje van de voormalige sociëteit Concordia, schuin voor het Telegraafgebouw. Het Algemeen Handelsblad zetelde in het prachtige Jugendstil-achtige gebouw, schuin tegenover De Telegraaf. Trouw (eerder ook in het Telegraafgebouw) had een pand aan de Postzegelmarkt betrokken, een bomenrijk deel van de Nieuwezijds. Dagblad De Tijd huisde al sinds 1904 in het Kasteel van Aemstel iets verderop aan de Nieuwezijds, richting de Nieuwezijds Kolk. Het Vrije Volk zat nog iets verder richting station, in een imposant pand aan het Hekelveld. De Waarheid huisde niet ver weg in het gebouw Felix Meritis aan de Keizersgracht.

Negen dagbladen met landelijke verspreiding, op korte afstand van elkaar. 

Bovendien was Amsterdam het centrum van de landelijke weekbladen: Elseviers Weekblad, Vrij Nederland, Haagse Post, Groene Amsterdammer, De Nieuwe Linie. Voeg daarbij de persbureaus als het ANP en uitgeverij Geïllustreerde Pers aan de Stadhouderskade, met toen nog Revue, Katholieke Illustratie, Eva en Margriet en je kan je voorstellen hoe groot het aantal journalisten was dat in het centrum van Amsterdam werkte en -niet te vergeten- zeer frequent café's bezocht. Scheltema, naast het Algemeen Handelsblad, was het beroemdste journalistencafé, maar ook Hotel Polen (later afgebrand), en Die Port van Cleve waren bij journalisten in trek. Sommige kranten hadden hun eigen stamcafé, zoals De Koningshut voor De Telegraaf, Oud-Holland voor De Tijd, Hoppe voor De Volkskrant en De Silveren Spieghel voor het Vrije Volk. Auto's met kranten en rollen papier bepaalden het straatbeeld van de Nieuwezijds Voorburgwal en de persen draaiden dag en nacht. Want, vergeet niet, ook de drukkerijen zaten in de krantengebouwen. 

 

Kijken we naar de huidige situatie, dan is de Nieuwezijds Voorburgwal geheel en al van kranten ontdaan. Het Vrije Volk, De Waarheid en de Courant/Nieuws van de Dag bestaan allang niet meer. De Tijd werd weekblad en fuseerde met de Haagse Post tot HP/De Tijd. De Telegraaf zit in het kantorengebied bij Station Sloterdijk, en het Financieele Dagblad aan het Prins Bernhardplein. Het Parool, De Volkskrant en Trouw zijn verhuisd van de Wibautstraat naar het Oostenburger eiland. En NRC-Handelsblad verhuisde van de Alexanderpolder in Rotterdam naar Het Rokin in Amsterdam. Ook alle opinieweek- en maandbladen -Elsevier, De Groene, Vrij Nederland en HP-De Tijd- zetelen nog in Amsterdam. 

 

In tweede krantenstad van Nederland, Rotterdam, verschijnen drie dagbladen: NRC-Handelsblad, AD en het  lokale AD Rotterdams Dagblad. In de jaren zestig had Rotterdam nog zeven dagbladen: de NRC, het Algemeen Dagblad, het Rotterdams Nieuwsblad, het Rotterdams Parool, De Rotterdammer, De Maasbode en de belangrijkste editie van het Vrije Volk met een eigen drukkerij in Rotterdam.

 

Ik ga nu ver terug in de tijd. De journalistiek begon overal in Europa, allereerst in Venetië maar vrij snel ook in Amsterdam, vanaf de zestiende eeuw met geschreven kranten. Er waren uitgevers van correspondenties die op centrale punten van de wereldhandel nieuws uit alle windrichtingen verzamelden, door overschrijving lieten vermenigvuldigen en daarmee abonnees verwierven. Er waren ook verslaggevers die deze uitgevers van nieuws voorzagen. Zeker in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was de berichtendienst aan het einde van de zestiende eeuw al zeer ver ontwikkeld.

De gedrukte krant kwam pas veel later. Nadat de eerste boeken waren gedrukt, vanaf 1450, duurde het ongeveer 150 jaar voor de eerste gedrukte weekbladen met het duidelijke karakter van een krant ontstonden. Dat was dus kort na 1600. Dat de kranten tot die tijd geschreven werden, en overgeschreven door arme studenten, is gedeeltelijk te verklaren vanuit het geringe aantal abonnees, soms niet meer dan enkele tientallen. Maar zij bleven ook nog lange tijd bestaan naast de gedrukte kranten. Want het overschrijven ging veel vlugger dan het zetten en het vooral buitengewoon omslachtige drukken. Maar de belangrijkste reden om kranten over te schrijven in plaats van te drukken is waarschijnlijk geweest dat het veel makkelijker was om aan toezicht en censuur van de overheid te ontkomen.

Er was wel een andere vorm van nieuwsverspreiding waarbij van het begin af aan de druktechniek werd gebruikt. Vliegende bladen en vlugschriften behoorden tot de oudste producten van de drukpers en waren gericht op de massa, waarvan het merendeel overigens niet kon lezen. Wat wij nu de sensatiepers zouden noemen, sloot aan op een eeuwenlange traditie van liederen die door reizende zangers op kermissen en jaarmarkten werden gezongen. De tekst op rijm, vaak op een bekende melodie, en de zwaar aangezette afbeeldingen in houtsnijtechniek, waren de kenmerken van de vroegste en populairste massabladen. Zij werden vervaardigd door ondernemende drukkers in voor die tijd grote oplagen. Zij werden in steden en dorpen, op markten en in herbergen verkocht door krantenventers. Vanaf het begin van de 16de eeuw zijn er veel van die vliegende bladen en vlugschriften bewaard gebleven. De onderwerpen waren zeer sensationeel: bloederige oorlogsverhalen, gruwelijke moorden, vreselijke folteringen, executies op pijnbanken en brandstapels, rattenplagen en vooral ook heksenverbrandingen. Vaak hadden de vlugschriften ook een politieke inslag en werden zij door wereldlijke en kerkelijke overheden als smaadschriften aangemerkt.

In het jaar 1938 ontdekte de Zweedse historicus Folke Dahl in de Koninklijke Bibliotheek te Stockholm een pakket oude kranten, dat de oudste tot nu toe bekende nummers van gedrukte Nederlandse kranten bleek te bevatten. Hij publiceerde zijn ontdekking onder de titel Amsterdam: het eerste krantencentrum, van West-Europa. De bundel bevatte kranten waarvan het bestaan in Nederland onbekend was gebleven. De twee oudste Amsterdamse courantiers waren: Caspar van Hilten, die de Courante uyt ltaliën, Duytschland Ec. uitgaf en die werd opgevolgd door zijn zoon Jan van Hilten, en Broer Jansz., wiens krant als titel droeg Tydinghen uyt verscheyde Quartieren. Het woord Courante stond voor lopend nieuws. Het oudste nummer van de Courante uit Italiën, Duytsland Ec. is gedateerd 14 juni 1618, van de Tydingen zijn exemplaren gevonden uit 1619. Zoals een extra-editie  waaruit de kundigheid van Broer Jansz. als verslaggever blijkt. Een meelevend verslag van de terechtstelling van Johan van Oldenbarneveldt in Den Haag op 13 Mei 1619. Jansz vermeldde in de kop van het bericht, dat hij de terechtstelling zelf had bijgewoond.

Zowel Van Hilten als Broer Jansz. begonnen als Courantier in het leger van de Prins van Oranje.

Broer Jansz. was boekdrukker en drukte zijn krant ook zelf. Vader en zoon Van Hilten hebben aanvankelijk het drukken van hun krant uitbesteed tot zij later ook zelf als later als drukkers optraden. Veel familieleden en erfgenamen van deze uitgevers bleven in het krantenbedrijf.

In de naam van zijn weekblad kwam al tot uitdrukking, dat Caspar van Hilten vooral berichten uit het buitenland bracht. Hij beperkte zich natuurlijk niet tot die uit Italië en Duitsland; maar in deze beide landen bevonden zich de voor hem belangrijkste nieuwscentra.

 

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was in de zeventiende eeuw, onze Gouden Eeuw, het belangrijkste nieuwscentrum van Europa. Binnen de Republiek lag het zwaartepunt in Amsterdam, een bloeiend centrum van handel en cultuur met een relatief geringe censuur, door het ontbreken van centraal gezag.

Caspar van Hilten en Broer Jansz. gaven ook Franse edities uit, Gazettes genaamd. Het woord komt uit Venetië, Gazetta.

 

Caspars zoon Jan van Hilten had een zeer enthousiaste medewerker: de stadsdrukker Abraham Casteleyn in Haarlem. Die streefde ernaar zoveel mogelijk interessante berichten te verzamelen en had  briefwisselingen met correspondenten overal in Europa.Van deze Abraham Casteleyn ontving Van Hilten in Amsterdam zeer waardevol materiaal voor zijn gedrukte krant. Toen Jan van Hilten was gestorven, stuurde Casteleyn dit materiaal niet meer naar diens opvolger, maar gebruikte het voor een eigen in 1656 in Haarlem opgericht blad, de Weekelijke Courante van Europa. Deze krant heette vanaf 1664 Oprechte Haarlemsche Courant en bleef gedurende twee eeuwen de meestgelezen krant in Nederland en toonaangevend in Europa. In 1942 verdween de historische titel na een fusie met het Haarlems Dagblad. Maar de onderkop van het Haarlems Dagblad (nu in handen van De Telegraaf) luidt nog altijd: Oprechte Haerlemsche Courant 1656.

In de loop van de 17de eeuw  kregen alle grote Nederlandse steden hun eigen krant, die één keer per week verscheen. In Amsterdam kwamen er nog twee bij. Op vier verschillende dagen konden vier verschillenden kranten worden gekocht. Totdat die vier Amsterdamse weekbladen werden gecombineerd tot de Amsterdamsche Courant die uiteindelijk eigendom van de stad werd en vanaf 1848 dagelijks verscheen.

Naast Nederlandse kranten werden er in de 17de en 18de eeuw ook talrijke Franstalige kranten in Nederland vervaardigd, de gazettes. Dat had niet alleen te maken met Franse emigranten, maar ook met het feit dat Frans de wereldtaal was die alle intellectuelen in die tijd beheersten. De laatste sporen van de Gazette d' Amsterdam dateren uit 1777. Die krant heeft minstens een eeuw bestaan. De Franse koning Lodewijk XIV verbood de invoer van de Franstalige kranten uit Nederland. In zijn motivering van de oorlogsverklaring aan Nederland in 1672 voerde hij ook de aanmatigende houding aan van die gazettes tegenover hem, de zonnekoning.

 

Ik ga een eeuw verder, naar het einde van de 18de eeuw. In de periode tussen 1780 en 1787 keerden de patriotten zich tegen stadhouder Willem V en verschenen er veel kranten van patriottische signatuur. Die werden vaak verboden. Uitgever Jan Verlem en drukker Hermanus Koning probeerden in Amsterdam steeds opnieuw titels te lanceren. Zo verschenen in Amsterdam achtereenvolgens de Noordhollandsche Courant, de Diemer- of Watergraafmeersche Courant en de Nederlandsche Courant. Utrecht was trouwens het centrum van de patriotten, daar verscheen de Post van den Neder-Rhijn van Pieter 't Hoen, het eerste echte opinieweekblad van Nederland.

De patriotten werden door de Pruisen uit Nederland verdreven, maar kwamen met Franse steun weer terug om in 1795 de Bataafse Republiek uit te roepen. Alle kranten verschenen toen met het devies Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap boven de kop. In die Bataafse Republiek, in 1796, verscheen ook het eerste nummer van de Prijs-Courant der Effecten, de voorloper van het Financieele Dagblad. Oprichter Nicolaas Cotray koos als leidraad: 'Al het geene tot het financieele eenige betrekking heeft' dat nog steeds de titel siert.

 

Het leek een mooie tijd te worden voor journalisten, want in de Staatsregeling van 1798 kwam, te staan: De vrijheid van drukpers is heilig. Maar die vrijheid duurde niet lang, zeker niet toen Lodewijk Napoleon de troon besteeg als koning van Holland. Hij bediende zich vooral van de Koninklijke Staatscourant (voorheen Bataafsche Staatscourant), die na de inlijving van Nederland door Frankrijk, in 1810, Moniteur d'Amsterdam heette.

Keizer Napoleon vernietigde in Nederland de laatste resten van de persvrijheid.  De kranten, één per departement, moesten in twee talen verschijnen, Nederlands en Frans, en stonden onder het beheer van de prefecten.

In 1812 werd door de Fransen ook de dagbladbelasting ingevoerd die nog tot 1869 bleef bestaan. Na de val van Napoleon, eind 1813, keerden veel oorspronkelijke kranten terug in het nieuwe Nederland, dat aanvankelijk ook België omvatte. Zo ook  de Oprechte Haerlemsche Courant, die nog lang de belangrijkste krant van Nederland bleef, ook omdat de meeste verlovings-, huwelijks-, geboorte- en overlijdensadvertenties uit het hele land in die krant werden gepubliceerd. Het was het Nieuws van de Dag in Amsterdam, waarover straks meer, dat vanaf 1870 het monopolie voor familieberichten van de Haarlemse krant wist te doorbreken.

 

Pas betrekkelijk laat kreeg Nederland het eerste dagblad, namelijk in 1830 het Algemeen Handelsblad in Amsterdam. Vanaf 1825 gaf het handelshuis Wächter & Co. te Amsterdam regelmatig tweemaal per maand gedrukte handelsberichten uit met de beursnoteringen van belangrijke goederen. Sinds 1828 verschenen die, onder de titel Waarenberigten, tweemaal per  week, uitgebreid met scheepvaartberichten, beschouwingen over handelsrecht en met nieuwsberichten van overal, die voor de koopman, maar ook voor andere mensen van belang waren. Jacob Willem van der Biesen, medefirmant van Wächter, richtte na de liquidatie van dat bedrijf, het Algemeen Handelsblad op. Hij ontpopte zich als een uitgever en journalist van formaat. Twintig jaar lang was hij hoofdredacteur van het blad, dat voortdurend werd uitgebreid en verbeterd, en dat in 1830 dus het eerst van alle Nederlandse kranten dagelijks uitkwam. Dat kwam omdat de opwindende gebeurtenissen van dat jaar, die eindigden met de afscheiding van België, in Amsterdam een grote behoefte deden ontstaan aan een dagelijkse krant, die het publiek snel en volledig inlichtte.

Wel bestond in die tijd nog, als voortzetting en laatste herinnering aan de oudste kranten van Nederland, de Amsterdamsche Courant, die in de Stadsdrukkerij werd vervaardigd. Als nauw met de stad verbonden orgaan was die krant onderworpen aan het toezicht van de lokale overheid. De censor, die evenals de commissaris voor de Stadsdrukkerij, het blad controleerde, liet bijvoorbeeld in de kritieke tijd, omstreeks 1830, geen Belgische berichten door. Die werden wél opgenomen door het jonge en vrije Algemeen Handelsblad.

De Amsterdamse Courant voerde nog enkele tientallen jaren een kommervol bestaan in de vergeefse strijd tegen het verlies van lezers en werd de stad tot last. In 1882 werd de krant op een veiling verkocht waarmee in Amsterdam de traditie van de vroegste kranten werd afgebroken. In 1883 was er wel een herverschijning, op advies van een oogarts gedrukt op geel papier. Deze Amsterdamsche Courant, het Geeltje genoemd, bleef bestaan tot 1902 toen Telegraaf-eigenaar Hak Holdert, over wie straks meer, zich over de titel ontfermde. De  Telegraaf had nog tot 1960 Amsterdamsche Courant als onderkop.

 

Toen het Algemeen Handelsblad in 1831 zijn dagelijkse uitgave wilde stopzetten, vormde zich spontaan een vereniging, die verklaarde, dat een dagblad voor Amsterdam onontbeerlijk was en voorbereidingen trof tot de oprichting ervan. Voordat deze nieuwe krant haar eerste nummer uitbracht, kwam er overeenstemming met het Algemeen Handelsblad dat definitief dagblad werd. De naam van de nooit verschenen concurrentiekrant, die de Nieuwe Amsterdamsche Courant had moeten heten, werd door het Algemeen Handelsblad sindsdien als ondertitel in de kop gevoerd.

In 1864 verscheen voor het eerst de Dagelijkse Beurscourant, die in 1943 met het al uit 1796 daterende Amsterdamsch Effectenblad fuseerde tot Het Financieele Dagblad.

 

Ik zei het al eerder, de dagbladbelasting bleef als erfenis van de Franse tijd tot 1869 bestaan. Herkenbaar aan stempels in de bovenhoek van de kranten, het perszegel, ook wel de vuile vingers van de fiscus genoemd. De Nederlandse fiscus hief geen belasting op advertenties, zoals de Franse bezetters, maar op het papierformaat. Tot 1869 bestonden er, als gevolg van de ongehoord hoge zegelbelasting, in Nederland niet meer dan negen dagelijks verschijnende kranten. 

De afschaffing van het perszegel leidde tot een groot aantal nieuwe dagbladen, zoals in Amsterdam Het Nieuws van de Dag en De Telegraaf, 

De eerste krant in Amsterdam die op straat werd verkocht was het Vliegend Blad, waarvan de naam later veranderde in Nieuwsblad voor Nederland en dat zich vestigde in het nog steeds bestaande koepelgebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal, ooit de sociëteit Concordia.

Er kwamen steeds meer kranten bij. In Amsterdam werd de Echo van het Nieuws gelanceerd, een jaar later herdoopt in De Echo, volksblad voor Nederland en later Dagblad De Echo geheten. De titel is blijven voortbestaan als het huis-aan-huis-blad van het Telegraaf-concern.

In 1883 verscheen De Amsterdammer, Dagblad voor Nederland, in die tijd de meest vooruitstrevende krant van Nederland waarvan hoofdredacteur Jan de Koo de beste verslaggevers naar zich toe trok. Maar die krant bleef niet lang bestaan, in 1896 verscheen - wegens financieel wanbeheer- het laatste nummer. De Koo was eerder ook hoofdredacteur van het weekblad De Amsterdammer, dat de voorloper werd van de Groene Amsterdammer.  

 

Aan het einde van de negentiende eeuw begonnen steeds meer kranten zich te vestigen aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Het Nieuws van de Dag betrok een gebouw op de plek waar later het nieuwe Telegraafgebouw zou worden gebouwd. Het Nieuws van de Dag had oorspronkelijk als ondertitel De Kleine Courant, omdat het zich spiegelde aan het populaire Le Petit Journal in Parijs. In 1892 was het Nieuws van de Dag met een oplage van  32.000, de eerste in heel Nederland gelezen massakrant.

Het eerste nummer van het huidige dagblad De Telegraaf verscheen op 1 januari 1893, opgericht door de excentrieke baron Henri Tidal. In hetzelfde jaar lanceerde hij De Courant, als volkseditie van het bestaande dagblad De Amsterdammer.

In 1902 werd de 32-jarige H.C.M.Holdert, Hak voor zijn vrienden, voor 40.000 gulden eigenaar van De Telegraaf en De Courant. Hij maakte van De Courant een volkseditie van De Telegraaf en nam Het Ochtendblad  en Het Amsterdamsch Nieuwsblad over, die opgingen in De Courant. Datzelfde gebeurde in 1914 met Het Nieuwsblad voor Nederland.

Op dat moment had Holdert, met het gebouw Concordia, toegang gekregen tot de Nieuwezijds Voorburgwal, waar in 1893 het Algemeen Handelsblad al zijn nieuwe gebouw had betrokken. Het Handelsblad zat al eerder aan de Nieuwezijds, in drie historische pandjes. Ook het anti-revolutionaire dagblad De Standaard, in 1872 gesticht door Abraham Kuyper, streek neer aan de Nieuwezijds, in 1904 gevolgd door het katholieke dagblad De Tijd.

De aantrekkelijkheid van die straat hield direct verband met de nabijheid van de effectenbeurs en de bouw van het Rijkstelegraafkantoor, de huidige winkelgalerij Magna Plaza, direct achter het Paleis op de Dam. Het telegraafverkeer was van eminent belang voor de kranten van toen. De Nieuwezijds Voorburgwal was trouwens een gracht, zoals nu nog de Oudezijdswallen. Ook de Spuistraat was een gracht en heette Nieuwezijds Achterburgwal. De Nieuwezijds Voorburgwal werd in 1883 gedempt.

 

De levendigheid van de Amsterdams krantenwereld aan het einde van de negentiende eeuw had alles te maken met de spectaculaire veranderingen in de hoofdstad. De landbouwcrisis had veel boerenvolk naar de stad gedreven, tussen 1870 en 1885 steeg het inwonertal van Amsterdam van 270.000 naar ruim 370.000. Het socialisme kwam op. In het Volkspark, waar nu de Frederik Hendrikstraat is, kwamen zo'n 8000 mensen in een grote houten loods geregeld luisteren naar de opzwepende redevoeringen van Domela Nieuwenhuis. Op de zaterdagavonden werd er in de binnenstad met veel verbaal geweld gevent met Recht voor Allen, het blad van de Sociaal Democratische Bond. In de volksbuurten huisden talrijke grote gezinnen op één kamer of in vochtige kelders. In de Jordaan, een eilandenrijk met modderpoelen, waren hele straten werkloos. De politieke strijd ging om het kiesrecht, maar ook om de armoede en werkloosheid. Met de beter-gesitueerde inwoners van Amsterdam ging het goed. Het Rijksmuseum was in 1885 geopend en aan de rand van de stad was het Concertgebouw in aanbouw.

 

Op 25 en 26 juli 1886 woedde in De Jordaan het Palingoproer. De aanleiding was het verboden volksvermaak palingtrekken, met levende palingen, de oorzaak lag veel dieper: de sociale ellende in de arbeidersbuurten. Er ontstonden hevige gevechten tussen de politie met blanke sabel -en oproerlingen die met alles gooiden wat los en vast zat. Er waren optochten en barricades met rode vlaggen, er werden tweehonderd infanteristen ingezet, die van vuurwapens gebruik maakten, en aan het einde van de strijd bleken er 26 doden te zijn, 36 ernstig gewonden en 200 arrestanten.

Vrijwel alle Amsterdamse kranten gaven de socialisten de schuld. Het Algemeen Handelsblad organiseerde een collecte ten bate van de gewonde politiemannen. Alleen De Amsterdammer van Jan de Koo was genuanceerd en besteedde ook veel aandacht aan de slachtoffers in De Jordaan.

 

Als gevolg van de politieke tegenstellingen en de toenemende verzuiling kwamen er steeds meer partijkranten. Het Algemeen Handelsblad hoorde al bij de Liberale Staatspartij, De Tijd bij de Rooms-Katholieke Staatspartij en De Standaard bij de Anti-Revolutionaire Partij. In 1895 werd Het Volksdagblad de eerste arbeiderskrant in Nederland en vanaf 1897 had de Christelijk-Historische Kiezersbond een eigen krant die in Amsterdam werd uitgegeven, Het Nederlandsch Dagblad, later opgenomen in De Nederlander.

Drie jaar later werd, in 1900, werd in Amsterdam Het Volk geboren, Dagblad voor de Arbeiderspartij (in dit geval de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, SDAP, afgesplitst van de Sociaal Democratische Bond) met partijleider Pieter Jelle Troelstra als hoofdredacteur.

In datzelfde jaar sloeg een staking van grafici bij De Telegraaf over naar andere Amsterdamse kranten. De gezamenlijke Amsterdamse krantenuitgevers lieten twee dagen lang het Buitengewoon Dagblad verschijnen, dat toegestuurd werd aan de abonnees van twaalf Amsterdamse kranten: Algemeen Handelsblad, Amsterdamsche Courant, De Courant, De Echo, De Tijd, De Morgenpost (een kopblad van De Tijd), Nederlandsch Dagblad, Nieuws van de Dag, Nieuwsblad voor Nederland, het Nieuwe Ochtendblad, De Standaard en De Telegraaf. Het Volk en het Volksdagblad meegerekend waren er dus aan het einde van de negentiende eeuw veertien dagbladen in Amsterdam, dat tot een levendig perscentrum was uitgegroeid vergelijkbaar met de explosie van de gedrukte pers in New York, Londen, Parijs en Berlijn. 

De periode van de Eerste Wereldoorlog, van 1914 tot 1918,  was een bewogen tijd voor De Telegraaf, dat een duidelijk politiek standpunt innam en partij koos voor Frankrijk en Engeland. Tot ongenoegen van de Nederlandse regering die een strikte neutraliteit in acht nam. Hoofdredacteur Schröder, beter bekend als chroniquer Barbarossa, werd in 1915 in hechtenis genomen omdat hij in De Telegraaf schreef: ‘In het centrum van Europa bevindt zich een troep gewetenloze schurken die den oorlog veroorzaakt hebben’. Na een arrest van 17 dagen werd hij vrijgelaten en in 1917 na een reeks processen ook vrijgesproken.

De Telegraaf leed er niet onder. Eigenaar Holdert, eigenlijk de enige press-lord die Nederland heeft gekend,  woonde al vanaf 1914 in Parijs (zijn broer was directeur geworden) maar was nog wel de echte baas in Amsterdam gebleven. Hij sloeg zijn grootste slag in 1923. Het Nieuws van de Dag werd opgekocht en samengevoegd met De Courant tot De Courant/Nieuws van de Dag In dat jaar had De Telegraaf 86.000 abonnees en De Courant/Nieuws van de Dag 212.000. Via het Nieuws van de Dag had De Telegraaf definitief toegang gekregen tot de Nieuwezijds Voorburgwal.

 

Een feestelijk jaar voor De Telegraaf werd 1930 toen het modernste krantenpaleis van Nederland werd gebouwd, ontworpen door Arthur Staal. De Courant/Nieuws van de Dag betrok dat jaar het koepelgebouw Concordia.et Ochtendblkad van 1898 en Het Amsterdamsch Nieuwsbklad van 1897 over

Een jaar later nam De Arbeiderspers, uitgever van Het Volk, een in socialistisch-realistische stijl ontworpen gebouw aan het Hekelveld in gebruik. De imposante Rode Burcht werd in de jaren zeventig gesloopt. Daar staat nu Hotel Sonesta.

Het rooms-katholieke dagblad De Tijd, mede-opgericht door de priester-politicus Schaepman was in 1846 vanuit 's Hertogenbosch naar Amsterdam verhuisd, en zat sinds 1904 in het  Kasteel van Aemstel aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Een andere belangrijke krant aan de Nieuwezijds was De Standaard, dat in 1872 als hoofdorgaan van de Anti-Revolutionnaire Partij werd  opgericht. Abraham Kuyper was de eerste hoofdredacteur, vanaf 1922 tot 1941 werd De Standaard geleid door Hendrik Colijn, met een onderbreking van de periode dat hij minister-president was.

In 1916 was de communistische krant De Tribune dagblad geworden, in 1937 omgedoopt tot Het Volksdagblad, een oude titel uit het einde van de negentiende eeuw. Niet te verwarren met De Volkskrant, sinds 1922 een in 's Hertogenbosch uitgegeven dagblad van de Rooms-Katholieke Volks- en Werkliedenbond, dat in 1935 naar Amsterdam verhuisde. In 1936 verscheen er weer een nieuw dagblad in Amsterdam, het Nationale Dagblad van de NSB, met de fel antisemitische Hitler-adept Rost van Tonningen als hoofdredacteur.  

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleven de meeste kranten verschijnen, met de verplichting om door de Duitse bezetters verstrekt nieuws te publiceren. De hoofdredacteuren moesten zich aan allerlei wetten en verordeningen houden en zorgden er door zelfcensuur voor dat er niets in de krant kwam te staan dat de bezetters of de NSB onwelkom was. Amsterdamse en tevens landelijke kranten die tijdens de oorlog  bleven verschijnen, waren: De Telegraaf, de Courant/Nieuws van de Dag, Het Volk, Algemeen Handelsblad, De Tijd en tot 1944 De Standaard. De Volkskrant stopte al in 1942 wegens gebrek aan abonnees, de communistische Tribune werd in mei 1940 door de Duitsers verboden.

 

Telegraaf-eigenaar Holdert overleed in 1944. Zijn zoon  Hakkie Holdert was NSB-er en vocht aanvankelijk als SS-er aan het Oostfront. Hij werd in juli 1942 directeur van De Telegraaf. Hoofdredacteur Goedemans, een goede Nederlander, werd in dat jaar opzij gezet op last van de bezetters. Hakkie Holdert haalde een aantal NSB-ers naar de redactie en zorgde voor een goede relatie tussen de krant, de Duitsers en de NSB. Verschillende NSB-organisaties werden financieel gesteund door De Telegraaf.

Hakkie Holdert werd door de Commissie voor de Perszuivering voor twintig jaar uitgesloten. Dezelfde commissie legde De Telegraaf in 1948 een naamsverbod op voor 30 jaar en De Courant/Nieuws van de Dag voor 20 jaar. Maar de Raad van Beroep voor de Perszuivering vond een jaar later geen termen aanwezig voor zo'n naamsverbod. Daarom konden die kranten in 1949 weer verschijnen.

 

Op het moment van de capitulatie in 1940 was oud-ministerpresident Hendrik Colijn hoofdredacteur van De Standaard. Hij schreef op 15 mei 1940: 'Voorlopig blijven we zitten met een in het buitenland gevestigd kabinet dat - zo we ons niet vergissen - het vertrouwen van waarschijnlijk 95 procent van het Nederlands volk mist. Wanneer men niet met een leger de Duitser kan weerstaan, kan het zonder leger zeker niet. Alle verzet is dus uitgesloten. Het dient tot niets en verergert slechts den toestand.’

In 1941 legde Colijn zijn functie neer als protest tegen de benoeming van de nazi-propagandist Max Blokzijl als chef-redacteur, de enige journalist die na de oorlog wegens landverraad is geëxecuteerd. In zijn afscheidsartikel vroeg Colijn niettemin aan de lezers om de krant trouw te blijven. Maar zij liepen weg, vanaf 1943 verscheen De Standaard nog maar eenmaal per week en in 1944 verdween De Standaard geheel. Na de bevrijding kwam De Standaard niet meer terug. De anti-revolutionaire krantenlezers hadden in Trouw een nieuw dagblad, voortgekomen uit het gereformeerde verzet.

 

Met het SDAP-dagblad Het Volk ging het geheel anders. Alle sociaal-democratische bladen van Nederland waren voor de oorlog ondergebracht in één enkele uitgeversfirma, De Arbeidspers. Hoofdorgaan was het in 1900 te Amsterdam opgerichte dagblad Het Volk. Daarmede verbonden waren de Voorwaarts in Rotterdam, de Vooruit in Den Haag en een reeks dagbladen onder de naam Volksblad. De gezamenlijke oplage van deze Arbeiderspers-dagbladen was voor de oorlog ruim 200.000. De Arbeiderspers werd net als de hele Rode Familie, waartoe ook de vakbond NVV en de VARA behoorden, in juli 1940 geheel en al overgenomen door de nationaal-socialisten. Rost van Tonningen kreeg het voor het zeggen en benoemde NSB-ers tot directeur en hoofdredacteur.

Na de oorlog herkreeg de Arbeiderspers haar zelfstandigheid met Het Vrije Volk als dagblad voor geheel Nederland. Nadat de SDAP was opgegaan in de nieuwe Partij van de Arbeid bleef Het Vrije Volk nog lange tijd de partijkrant en tot in de jaren zestig zelfs nog etHet de grootste krant van Nederland met ruim dertig lokale edities en drukkerijen in Amsterdam, Rotterdam, Groningen en Arnhem.

 

Bij het Algemeen Handelsblad werd de anti-Duitse hoofdredacteur Von Balluseck in 1941ontslagen en opgevolgd door de nazigezinde Hoogterp. In 1945 duurde het tot september voordat het Algemeen Handelsblad mocht herverschijnen. Eerder al, in juni,  kreeg De Tijd, dat op verzoek van het episcopaat tot het einde van de bezetting was blijven bestaan, toestemming om te opnieuw te verschijnen.

 

Maar de belangstelling van de lezers ging na de bevrijding voorlopig uit naar nieuwe kranten, vooral de kranten die uit het verzet voortkwamen. De communistische Waarheid, even de grootste krant van Nederland, Het Parool en Trouw hadden in 1945 elk meer dan 300.000 lezers, evenals het Vrije Volk. Ook De Volkskrant, waarvan de verschijning in 1941 al was gestaakt, werd een belangrijke krant, nauw verbonden met de Katholieke Volkspartij. De eerste jaren na de oorlog steeg het aantal abonnees, voor de oorlog nog geen 30.000, naar 150.000. De Volkskrant was tot het herverschijnen van De Telegraaf het enige landelijke ochtendblad.

 

Het Parool was in 1941 voortgekomen uit de Nieuwsbrief van Pieter 't Hoen. De journalist/politicus Frans Goedhart gebruikte de naam van de patriottische journalist uit de 18de eeuw. Het Parool bleef na de oorlog onafhankelijk, maar wel sociaal-democratisch. Het verscheen behalve in Amsterdam (als landelijke krant) ook regionaal als Rotterdams Parool, Nieuw Utrechts Dagblad en Haags Dagblad. In 1963 verdween Het Parool uit het Telegraafgebouw en betrok een nieuw gebouw aan de Wibautstraat. Ik maakte die verhuizing mee. Wij treurden, omdat de Amsterdamse Stalin-Allee voor ons ver buiten de stad lag en geen greintje sfeer had. Het café Hesp aan de Weesterzijde nam pas later de functie van café Scheltema over.

 

De Waarheid was het blad van de communistische verzetsbeweging en werd na een onafhankelijke start onder hoofdredacteur Koejemans (met redacteuren als Gerrit Kouwenaar, Jan Brusse en Jan Vrijman), een star en stalinistisch partijblad van de Communistische Partij Nederland onder het juk van Paul de Groot.

 

Trouw kwam voort uit de gereformeerde illegaliteit en ging gebruik maken van de persen van de opgeheven Standaard, waarvan het in feite de opvolger werd door nauwe relaties met de Anti-Revolutionaire Partij. Bruins Slot was fractievoorzitter ARP en hoofdredacteur.

 

Werden de redacties van Trouw en Het Parool voorlopig gehuisvest in het Telegraafgebouw, de herverschenen Volkskrant nestelde zich in het koepelgebouw Concordia. De Volkskrant, met de leider van de Katholieke Volkspartij, Romme,  als staatkundig hoofdredacteur, werd de spreekbuis van de KVP, die in de kabinetten-Drees met de Partij van de Arbeid samenwerkte. Daarmee overvleugelde De Volkskrant de meer conservatieve katholieke dagbladen De Tijd uit Amsterdam en De Maasbode uit Rotterdam. In 1959 fuseerden De Tijd en De Maasbode, aanvankelijk nog als De Tijd-Maasbode.  Pas in 1965 verloor De Volkskrant de onderkop dagblad voor het katholieke volk. Dat is het jaar waarin De Volkskrant verhuisde naar de Wibautstraat tegenover Het Parool.

 

Van de talrijke andere verzetsbladen is alleen Vrij Nederland als weekblad blijven voortbestaan, aanvankelijk als dochter van De Arbeiderspers. Ik heb daar bijna dertig jaar gewerkt.

 

In de jaren zeventig ontstond het verschijnsel persconcentratie, zoals dat heette, als gevolg waarvan talrijke kranten werden opgeheven of gedwongen werden te fuseren. Dat had te maken met teruglopende advertentie-inkomsten door de concurrentie van de televisie, maar vooral ook met de hoge kosten voor het moderniseren van de rotatiepersen. Er is nog even gespeeld met de gedachte aan door de overheid bekostigde drukfabrieken. In 1970 fuseerden, zoals ik eerder vertelde, het Algemeen Handelsblad uit Amsterdam en de Nieuws Rotterdamse Courant tot NRC-Handelsblad. In 1971 staakte het Vrije Volk de landelijke verspreiding en trok zich terug op het bastion Rotterdam. Twintig jaar later, in 1991, fuseerde Het Vrije Volk met het Rotterdams Nieuwsblad tot Rotterdams Dagblad. In 1974 hield De Tijd op als dagblad en werd weekblad dat later weer fuseerde met de Haagse Post tot de huidige HP/De Tijd. Trouw fuseerde met in 1975 met het Rotterdammer Kwartet, vier christelijke dagbladen in Zuid-Holland, en werd in hetzelfde jaar opgenomen in de Perscombinatie die al was ontstaan door het commerciële samengaan van Het Parool en De Volkskrant. In 1976 vertrok ook Trouw naar de Wibautstraat. En daarmee verdween de laatste complete krantenredactie van de Nieuwezijds Voorburgwal. In dat gebouw zit nu hotel NOVA

 

In 1982 trok De Courant/Het Nieuws van de Dag, van het Telegraaf-concern, zich als lokale krant terug op Amsterdam. In 1998 werd die krant, van 1910 tot 1944 veruit grootste van Nederland, opgeheven. De lezers kregen voortaan De Telegraaf.

In 1990 verscheen het laatste nummer van het dagblad De Waarheid. De CPN was al veel eerder opgegaan in GroenLinks.

 

De eerste kranten in Nederland op dat halfformaat waren vanaf 1999 twee gratis kranten, Metro van een Zweeds krantenconcern en Sp!ts, het antwoord daarop van De Telegraaf. Het derde gratis dagblad in De Pers. Inmiddels verschijnen ook Het Parool, Trouw, De Volkskrant, NRC-Handelsblad en nrc.next als tabloid, of zoals zij dat liever noemen als compacte krant.

Op dit moment zijn er nog zes grote en middelgrote dagbladondernemingen in Nederland, waarvan twee in Amsterdam: Holding De Telegraaf en de Persgroep Nederland, eigendom van de Vlaamse Persgroep en uitgever van Het Parool, De Volkskrant, Trouw, AD en de kopkranten van AD in Zuid-Holland en Utrecht waaronder AD Rotterdams Dagblad, AD Haagsche Courant en AD Utrechts Nieuwsblad. De vier andere grote uitgevers zijn NRC Media in Rotterdam (uitgever van NRC-Handelsblad en nrc.next), Wegener Media in Apeldoorn (dagbladen in Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant en Zeeland), de Noordelijke Dagblad Combinatie in Groningen (Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant)en de Media Groep Limburg in Sittard (Dagblad De Limburger en Limburgs Dagblad), door De Telegraaf verkocht aan een Engelse investeerder. De kranten van Wegener Media zijn later ook in handen gekomen van de Persgroep.( Slechts vijf kranten behoren niet tot een concern: Het Financieele Dagblad, Reformatorisch Dagblad (van de SGP), het Nederlands Dagblad (gelieerd aan de ChristenUnie), het Friesch Dagblad (de enige lokale christelijke krant) en opmerkelijk genoeg de Barneveldse Courant.

Het Parool, De Volkskrant en Trouw zijn inmiddels gevestigd op het Oosterburgereiland in Amsterdam, waar ook hun eigenaar, de Persgroep Nederland, zetelt. NRC-Handelsblad is verhuisd van Rotterdam naar het Rokin in Amsterdam. Alleen Het Financieele Dagblad zit nog aan de kop van de Wibautstraat, het Prins Bernhardplein.